De ''Latijnse school'' was vóór de 19de eeuw een in heel Europa wijd verbreid schooltype, dat leerlingen voorbereidde op een religieus ambt of een studie aan een universiteit. Al voor de 13de eeuw waren er al Latijnse scholen in Nederland. Ze waren uitsluitend toegankelijk voor jongens, afkomstig uit de hogere en middenklasse.
Destijds was het Latijn de taal van de wetenschap, en de taal waarin de colleges op universiteiten werden gegeven. Kennis van het Latijn was dus essentieel voor een ieder die hogere studies wilde verrichten. Het lesprogramma van de Latijnse school bestond daarom grotendeels uit Latijn.
Andere vakken waren van marginale betekenis. Een leerling sloot de Latijnse school af met een schoolexamen, de zogeheten promotie. Die promotie gaf toegang tot de universiteit.
In 1838 werd in Nederland een onderwijshervorming doorgevoerd.
Naast de Latijnse school ontstond het gymnasium. Het Latijn was bij dat schooltype nog altijd het belangrijkste vak, maar er werd aanzienlijk meer tijd uitgetrokken voor de moderne talen en wiskunde en natuurwetenschappen.
In de jaren na 1838 werden zeer geleidelijk alle Latijnse scholen omgezet in gymnasia. De schoolgebouwen die bewaard zijn gebleven, zijn oude gebouwen uit de 19de eeuw of daarvoor. (Wikipedia)