Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 29-12-2019

2019-12-29

Theosofie

betekenis & definitie

Het woord theosofie bestaat uit de Grieksche woorden: theos = god of goddelijk wezen en sofia = wijsheid. Letterlijk beteekent theosofie: godswijsheid, waaronder verstaan wordt zoowel wijsheid aangaande het Goddelijke, als die welke een goddelijk wezen bezit.

De Gnostieken reeds poogden Indische, Oostersche, Heidensche wijsheid en ideeën met het Christendom te vermengen.

De oude Gnostieke dwalingen zien we in onze dagen weer optreden in een nieuw gewaad. De tegenwoordige theosofie wil heel het Christendom uitleggen naar Oostersch-theosofische gegevens.

In onzen tijd immers is door eenige ingewijde wijzen opnieuw een poging gedaan de theosofie aan de wereld te brengen. Zij hebben daartoe gekozen: Helena-Petrowna von Hahn—Rotenstein, een Russische gravin. Den 31sten Juli 1831 in het Zuiden van Rusland geboren, huwde zij op 17-jarigen leeftijd met den staatraad Blavatsky, een man van al over de zestig. Ze hield het bij hem niet uit, keerde naar huis terug en deed nu groote reizen. Verscheiden malen maakte zij een tocht om de wereld. „Zij kende geen vrees, bezat een ontembaren wil en was met dat al toch zacht en meedoogend van aard.” Ook in Indië en Thibet heeft zij vertoefd. In 1851 ontmoette zij te Londen voor ’t eerst persoonlijk den Indiër, dien zij haar leeraar noemde.

Dan volgt in 1875 te New-York de stichting van het Theosofisch Genootschap. In 1877 verschijnt haar eerste boek, onder den titel: Isis Unveiled, dat een kolossalen opgang maakte en in zeer korten tijd vele malen werd herdrukt. In 1888 verscheen haar groote werk: The secret Doctrine. Later werd zij echter van bedrog beschuldigd, zoodat haar roem geducht begon te tanen. In 1891 moest zij te Londen in verlatenheid sterven.

De theosofie zelve stierf echter met haar dood niet uit. Integendeel. Door het optreden van Mrs Annie Besant—Wood, een der grootste sterren van de theosofie, nam zij zelfs een nieuwe vlucht. Haar oprechtheid wordt door niemand in twijfel getrokken. Zij is een dame „met een vulkanisch gemoed en een grilligen levensloop”. Was mevrouw Blavatsky de profetes, Annie Besant leidde de verstandelijke, dogmatische periode in (Slotemaker de Bruïne). Zij heeft echter een onverzoenlijke tegenstandster in Katherine Tingley.

Hier te lande begon in 1891 mevrouw Meulemans de propaganda en heet het maandblad, waarin de theosofen hunne ideeën uitstallen: Theosofia. Hun hoofdkwartier is te Amsterdam, Amsteldijk 76.

Het eenige geloofsartikel, dat de Theosofische Vereeniging van haar leden eischt, is „de algemeene broederschap”. De broederschap der menschheid is een feit door alle groote ethische leermeesters gepredikt en als de leer van Jezus in practijk werd gebracht, was de stichting van de Theosofische Vereeniging onnoodig geweest.

De verbazende snelheid, waarmede de Theosofische Vereeniging is toegenomen in ledental en den korten tijd, waarin zij zich in alle landen heeft verbreid, zijn in zichzelf (aldus leeren haar aanhangers) een bewijs, dat zij in een behoefte van den mensch voorziet.

Nu valt niet te ontkennen, dat allerwegen de propaganda der theosofen begint vruchi te dragen. Oorzaken van den snellen groei zijn: de ijver en de bezieling der propagandisten; de verflauwing van vele Christenen; de theosofie biedt een wereld-beschouwing, een systeem; zij zoekt een algemeene verbroedering; ze neemt het schuldgevoel en de vreeze des doods weg; zij bevat een geheimleer; zij wil niemand zijn geloof ontnemen (Zie: Dr J. C. de Moor, De verhouding van Theosofie en Christendom, Rotterdam, 1904).

Het is volstrekt niet ons doel, aldus vertellen u de theosofen, een Christen tot een Boeddhist te bekeeren, noch een Boeddhist tot den Christelijken godsdienst over te halen. Ons werk is juist zoowel den een als den ander aan te sporen zijn eigen godsdienst te onderzoeken en de waarheden, alle schoone, edele gedachten, die daarin omsluierd en begraven liggen, daaruit te trekken.

Het doel van de Theosofische Vereeniging wordt aldus omschreven:

1. Het vormen van een kern van de algemeene broederschap der menschheid, zonder aanzien van ras, gezinte, geslacht, kaste of kleur.
2. Het aanmoedigen van de vergelijkende studie van godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap.
3. Het naspeuren van onverklaarde natuurwetten en van de ongeopenbaarde krachten in den mensch.

De theosofie wil opklimmen van een exoterische tot de eisoterische leer, een geheimleer alleen voor de ingewijden. Dit reeds strijdt met het ware karakter van het Christendom. In de Theosofie is de tegenstelling slechts: meer of minder ziende. In het Christendom gaat het om de machtige tegenstelling: blind of ziende, onwedergeboren of wedergeboren.

Een echt Christen kan geen theosoof zijn. Het godsbegrip der theosofen is Sat, dat wil zeggen: Het. Dit eene, eeuwige grondbeginsel, de Wezenheid, is feitelijk niet met woorden te omschrijven. Het heelal is de openbaring van een uitdrukking van Sat.

De theosofie is dus zuiver pantheïstisch en doodt daarom alle religie. God is dood en het gebed wordt bij hen een illusie. Er is niets dan het Al-Eéne.

Wij kunnen ons de Theosofie het best voorstellen als de consequent doorgevoerde leer der evolutie, toegepast ook op de onzichtbare wereld, op het leven na den dood (Dr H. M. van Nes), En deze evolutie geschiedt door de herhaalde reïncarnatie van den Ego (persoonlijkheid), naar de wet van Karma.

Wat is reïncarnatie? Het denkbeeld, dat de mensch meer dan één kort leven in stoffelijken vorm op de aarde doorbrengt. Alleen men denke hierbij niet aan de zielsverhuizing in den zin, dien het bijgeloof van het volk er aan gehecht heeft. Geen mensch kan als dier herboren worden, evenmin als een eikel een waterplomp kan doen ontstaan. De jeugdige ziel heeft echter wel vele aardsche levens noodig voor zij volkomen mensch geworden is.

Karma en reïncarnatie zijn innig met elkaar verbonden. Wat is dan Karma? Karma is de wet van oorzaak en gevolg. Denkt aan Paulus’ woorden: „Wat de mensch zaait, zal hij ook maaien.” Ieder zal de vruchten plukken van zijn vroeger boos bedrijf. Er is geen persoonlijk god, die den mensch naar eigen goedvinden beloont of straft. Er is karma, de wet, die ieder de vruchten van zijn zaaisel doet inoogsten.

De theosofie kent geen zonde, geen schuld, geen recht. Geen wonder, zij is immers pantheistisch. Zij kent alleen onvolkomenheid. Er is ook geen straf. Alles werkt slechts naar de ijzeren wet van oorzaak en gevolg. Welk een troostelooze leer! De minste misstap kan u o zooveel kosten. Karma staat voortdurend dreigend voor u.

En de moraal ? Zij is feitelijk geheel individueel; zij hangt hoofdzakelijk af van het karma van den dader en het ontwikkelingspunt, waarop deze staat. Zonder God, dan ook geen moraal, dan ook geen verlossing! Berouw is voor den theosoof een zwakheid, het verspillen van krachten. Vergeving is iets louter subjectiefs.

Feitelijk is heel de theosofie een verfijnd materialisme. Zeker, zij wil geen grof materialisme. Het stelsel, aldus Dr Slotemaker de Bruïne, is niettemin materialistisch. Het geheel van het bouwsel is materialistisch.

Ook wordt de gedachte aan schuld-verzoening en genade volkomen uitgeschakeld. Niets houdt men over dan een voortdurend zelf-werken door een reeks van incarnaties heen.

„Werk, werk!” — dat is het gebod. Werk zoo hard gij kunt om uw karma niet te verzwaren maar te verbeteren. Wie weet wat uw vroeger karma u nog kosten zal!

Voorzeker, een echt-troostelooze leer.

Hier hoort ge niet de zilveren stem van Jezus: „Komt herwaarts tot Mij, allen gij die vermoeid en belast zijt, Ik zal u rust geven.” Bij de theosofie rust de zweep van den meedoogenloozen drijver nooit.

Nogmaals: een Christen kan nimmer theosoof zijn. De theosofie is de dood van alle religie. Reeds het eerste geloofsartikel: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper van hemel en van aarde, veroordeelt heel de poging der theosofie om alle religies uit één grondtype af te leiden. Trouwens, het Christendom is absoluut. Christus Jezus is de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot den Vader dan door Hem.

Den theosofen geldt het woord van Jesaja: „Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uwen arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan ?” De theosofie is de volstrekte tegenstelling van het Evangelie van Gods genade.

Literatuur: J. C. de Moor, De verhouding van Theosophie en Christendom, Rotterdam, 1904; H. Bakker, Stroomingen en secten van onzen tijd, Utrecht, 1925; J. R. Slotemaker de Bruine, Buitenkerkelijke Religie, Groningen, 1919; Lorenzo, De Theosofische Vereeniging en het doel dat zij beoogt, Amsterdam, 1898; Dr H. M. van Nes, De Nieuwe Mystiek, Rotterdam, 1901; Dr W.

Geesink, Van ’s Heeren Ordinantiën, deel II, 2e druk, Kampen z. j. (1926); Frans Netscher, De Hollandsche Revue, negende jaargang, Haarlem, 1904; D. J. van Katwijk, Christelijke Ethiek, Groningen, 1926; enz.