Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 29-12-2019

Stof

betekenis & definitie

(materia, vltj) is een begrip, dat in den regel in verband staat met vorm, en dht beteekent, waarop de vorm wordt toegepast, de inhoud van den vorm, het gevormde. Zoo kunnen we bij de meeste objecten onderscheid maken tusschen stof en vorm.

Bij een standbeeld is het marmer de stof, waaruit de beeldhouwer de statue houwt; hij brengt den vorm in het innigste contact met de stof en door het laten doordringen van de stof door den vorm schept hij het standbeeld.Ook bij het kenproces kunnen we onderscheiden tusschen stof en vorm. De stof van onze kennis komt, hoewel niet geheel ongevormd, van buiten. Dit ons in de gewaarwordingen geboden materiaal wordt nu verder door onzen geest zóó bewerkt en gevormd, dat er kennis ontstaat. Het vormende principe is hier het verstand, dat we wel van de waarneming onderscheiden, maar dat feitelijk nooit van de waarneming is gescheiden, maar er al dadelijk bij den eersten oogopslag en bij het eerste hooren vormend in aanwezig is.

In de natuurfilosofie beteekent stof of materie de drager van de zintuiglijk waarneembare verschijnselen, en is als zoodanig onderscheiden van den geest, die de drager is der niet-zintuiglijk waarneembare of psychische verschijnselen.

Al deze zintuiglijk waarneembare verschijnselen zijn ruimtelijk bepaald en daarom wezenlijk onderscheiden van de niet-ruimtelijk bepaalde verschijnselen, namelijk de psychische. Zijn de „materieele” . verschijnselen ruimtelijk bepaald, dan moet dit ook gelden van den drager, van de substantie, nl. de stof, die er aan ten grondslag ligt. Hoe klein wij een stofatoom ook denken, het neemt altijd nog ruimte in beslag. Was de stof (materie) zelf niet ruimtelijk bepaald, dan zou het moeilijk voor te stellen zijn, dat de materieele verschijnselen wèl ruimtelijk zouden wezen.

We gaan er van uit, dat de materie constant d.i. onverwoestbaar is, d.w.z. dat het quantum materie, dat er in de wereld is, niet vermeerdert en niet vermindert. Wanneer een bepaald quantum materie in een anderen aggregaattoestand overgaat b.v. water in stoom, of bloem van zwavel in vloeibaren of gasvormigen toestand, dan wordt de hoeveelheid materie niet veranderd. Niets gaat uit deze wereld weg. Alles blijft, al neemt het dan ook andere vormen aan.

Wanneer de Heere eenmaal wederkomen zal ten gerichte en aan de wereldgeschiedenis een eind maken, zullen de elementen (dat zijn niet onze chemische elementen) brandende versmelten; dan krijgt deze wereld wel een nieuwen vorm, maar de materie als zoodanig blijft. Het schema, de gedaante dezer wereld gaat voorbij, maar de stof waaruit deze wereld bestaat, zal blijven bestaan.

Wat nu het wezen van de stof is, is ons onbekend, evenals het wezen van den geest. We kunnen evenmin zeggen, wat stof is als wat geest is. Men kan van beide begrippen geen definitie geven, omdat ze behooren tot de allereerste, tot de z.g. primaire begrippen van onze metaphysica.

Toch weten we, dat de stof van den geest wezenlijk is onderscheiden. We zien dit o.a. bij de schepping van den mensch. De Heere God formeerde den mensch uit het stof der aarde; het lichaam van den mensch bestaat dus uit materie. Toen de mensch gezondigd had, sprak God: want gij zijt stof en zult tot stof wederkeeren. Door een bijzondere werkzaamheid Gods werd de geest geschapen. De Heere blies in zijne neusgaten den adem des levens.

Hoe dit precies is toegegaan, is ons onbekend, maar zooveel is uit de Heilige Schrift wel duidelijk, dat de geest des menschen door God apart met het lichaam is vereenigd. Bij den dood keert het stof wederom tot aarde als het geweest is, maar de geest keert weder tot God, die hem gegeven heeft (Pred. 12 : 7).

Er is dus een wezenlijk onderscheid tusschen geest en stof. Gewoonlijk houdt men onder de Christenen in die mate met dit onderscheid rekening, dat men spreekt van twee afzonderlijke substanties, de geestelijke en de stoffelijke substantie. Er zijn dan twee niet tot elkander herleidbare, wezenlijk van elkander onderscheiden zelfstandigheden, nl. geest en stof.

Er is echter ook een andere opvatting, die bij een deel van de tegenwoordige physici ingang heeft gevonden, dat n.l. de materie een krachtcentrum is, in actie en in rust. Velen van de nieuwere physici meenen dat ze het begrip materie kunnen elimineeren en haar opvatten als kracht of energie. Volgens Lorentz bestaat de materie uit electrische corpuscula, d.i. uit krachtsubstanties. Prof. Dr J. Woltjer, Het wezen der materie, 1914, was ook dit gevoelen toegedaan.

Hij wil zelfs liever niet van materieele en spiritueele substantie spreken, omdat er slechts één ware substantie is, God, die eeuwige kracht bezit en alle dingen draagt door het woord zijner kracht. „Meent men voor het constueeren van het begrip materie, het begrip van substantie niet te kunnen missen, dan acht ik, dat het op Christelijk standpunt geen bezwaar kan opleveren den term krachtsubstantie te gebruiken, daar de factoren van het begrip substantie, waar ik boven op wees: objectief bestaan en duurzaamheid, ook voor het begrip kracht kunnen gelden.” „Wanneer ik alzoo alles overweeg wat de wetenschap der natuur, wat de filosofie leert en wat uit de Christelijke religie volgt, dan komt het mij voor, dat wij moeten aannemen, dat het wezen der materie is kracht, niet geëmaneerd uit de eeuwige kracht Gods, maar kracht, geschapen door Zijnen wil als grondslag voor den bouw van hemel en aarde. Deze kracht bestaat niet als een starre eenheid, maar is onderscheiden in een veelheid van krachten, zooals naar de gewone opvatting de materie uiteen gaat in velerlei elementen. Naast deze materieele krachten, als ik ze kortheidshalve zoo noemen mag, zijn geschapen de krachten, die geestelijke wezens vormen, in staat om te willen, te voelen en te denken. Tusschen beide in bestaat een veelheid van krachten, die de organische wezens in hunne veelsoortigheid naar hunnen verschillenden aard oobouwen.” {Het wezen der materie, pag. 30).

Dit lange citaat van Prof. Woltjer heb ik gegeven om met zijn eigen woorden duidelijk te doen uitkomen, wat hij wil. Hij handhaaft het onderscheid tusschen geest en stof, maar brengt beide samen onder het „hoogere” begrip kracht of energie. Dit heeft inderdaad veel bekoorlijks. Hij poneert met beslistheid de stelling, dat er in de wereld eenheid is en dat ten slotte alle dingen zijn verwant, wat bij het zoogenaamde dualisme niet zoo duidelijk is.

Toch is het de vraag of wij deze „oplossing” van Prof. Dr J. Woltjer wel kunnen aanvaarden. Er zijn gewichtige bezwaren tegen in te brengen die in het korte bestek van een artikel niet te bespreken zijn. Laat mij alleen deze eene noemen, dat, wanneer geest en stof beide onder het hoofd „kracht” worden saamgebracht, de „geestelijke” kracht toch weer van een ander karakter is dan de „materieele” kracht. Immers de geestelijke kracht vormt geestelijke wezens, zooals b.v. de geest van den mensch, die alleen bestaat in den vorm van den tijd en niet in den vorm van de ruimte, terwijl de „materieele” kracht de drager is van dingen of substanties, die zoowel ruimtelijk als tijdelijk bestaan.

Hoe kan die kracht „ruimtelijk” worden, wanneer de oorspronkelijke kracht niet-ruimtelijk is? Of neemt men aan ruimtelijk bepaalde krachten? Krachten, die ruimte in beslag nemen? Maar genoeg hiervan, hetzij we de eenheid van geest en stof in het begrip kracht vindiceeren of niet, vast staat (en daarmede gaat ook Prof. Dr J. Woltjer accoord), dat geest en materie beiden door God zijn geschapen en van elkander onderscheiden zijn, zoodat noch de materie mag worden opgevat als een soort condensatie van den geest (Spiritualisme), noch de geest mag worden begrepen als een kracht of een begeleidend verschijnsel van de materie (Materialisme).

Gewoonlijk wordt de stof onderscheiden in organische en anorganische materie. Onder de anorganische materie verstaan we dan de stof, voor zoover ze niet den vorm van een organisme heeft aangenomen. Anorganisch is echter lang niet hetzelfde als onordelijk. Ook in de anorganische materie in steenen, koralen en kristallen heerscht wetmatigheid en orde, zoowel in den innerlijken opbouw als in de verhoudingen, waarin ze tot elkander staan.

Van de anorganische materie is de organische wezenlijk onderscheiden. Planten, dieren en menschen zijn een stuk hoogere schepping van God. Ze zijn ook eerst voortgebracht, toen de anorganische materie er al was. Het geheim van het organisme is, dat niet slechts het geheel wordt bepaald door de deelen, maar dat de deelen evenzeer bepaald worden door het geheel. Dit is een wonder in Gods groote schepping! En let dan weer eens op het onderscheiden karakter van plant, dier en mensch.

De plant kan zich niet bewegen, staat met hare voeten vast in de aarde, maar verricht de onbegrijpelijke werkzaamheid, dat ze de anorganische stoffen in organische omzet. Ze voedt zich met anorganische materie en groeit organisch.

Het dier is een veel fijnere bewerktuiging van de stof. Het kan zich bewegen en — het heeft bewustzijn, wat de plant mist. De psychische krachten, voorstellen, streven, gevoelen nemen de materie in haar dienst en voeren ze als het ware op tot een hooger niveau. Het dier is een praeformatie voor den mensch.

In den mensch komt de materie tot hare hoogste organisatie. Hier wordt zij voertuig voor den geest. Hier zijn lichaam en ziel, stof en geest verbonden, georganiseerd, vereenigd tot de menschelijke natuur.

De mensch is de levende eenheid van geest en stof.