Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 29-12-2019

Semieten, Semietische talen

betekenis & definitie

Wanneer we spreken van Semieten en Semietische talen, dan doen we dit in aansluiting aan het eerste boek der Heilige Schrift, waar alle volkeren, die Israël kende, worden afgeleid van Noachs drie zonen. Inzonderheid hebben we hier te doen met Genesis 10, de zoogenaamde volkerentafel, waar Japhet en Cham geheel worden afgehandeld, terwijl van Sem nog enkele onderdeden worden uitgewerkt in latere hoofdstukken.

Maar ook voor Sem vinden we het generale overzicht reeds in Genesis 10.Gaan we nu de Semieten-tafel (Gen. 10:21 — 31) nader beschouwen, dan vinden we daar tweeërlei opvatting van het begrip „Semiet”. De eene opvatting is uitgedrukt in vers 22, 23. Vers 22 plaatst de zonen van Sem in een grooten boog, die van de Perzische Golf eerst in Noord-Westelijke richting gaat naar de streek der Armenische meren en vervolgens in Zuid-Westelijke richting naar de streken achter het Fenicische kustland. Ten minste volgens die opvatting, welke mij het meest aannemelijk voorkomt, want omtrent de ligging van Arfachsad en Lud bestaat geene eenstemmigheid. Vers 23 somt de onderdeelen op van de laatste groep Semieten in vers 22, de Arameërs.

Maar we vinden in Gen. 10 ook een andere opvatting van het begrip „Semiet”. In vers 21 wordt Sem genoemd „stamvader van alle Hebreën”. Dat is zijn voornaamste qualiteit. De Hebreën worden hier aangewezen als de Semieten bij uitnemendheid. Maar het begrip „Hebreën” wordt hier dan ook genomen in zoo ruimen zin als nergens elders. Dit blijkt uit vers 24—30.

Sems afstammeling Heber is de vader van Peleg en Joktan. En van Joktan worden weer dertien stammen opgesomd, welke zich nagenoeg over heel Arabië hebben uitgebreid van het Noorden tot het Zuid-Oosten. Deze Hebreën in den ruimsten zin zijn tegelijk de Semieten in den engsten zin, waarop vers 21 reeds wijst, voordat invers 22—23 de Semieten in ruimer zin worden opgesomd.

Omtrent de nakomelingschap van Peleg zegt de volkerentafel niets, wijl ze later vanzelf ter sprake komt in verband met Abraham. In Gen. 11 : 18—26 zien we, dat Peleg een voorvader is van Terach, Abrahams vader. Terwijl van Joktan een menigte Arabische stammen worden afgeleid, is Peleg door Terach een stamvader van de Hebreën, nu niet in den ruimsten, maar in meer gewonen zin. Hieronder verstaan we die nakomelingen van Terach, welke zich in Kanaan en omgeving hebben neergezet, en wier stamboom er aldus uitziet:

Terach Haran Abram Lot Izaäk Moab Ammon Edom Israël Terach was niet alleen de vader van Abram en Haran, maar ook van Nahor (Gen. 11 : 27). De nakomelingen van Nahor vertoonen verschillende Arameesche trekken. In Gen. 22 : 21 heet een deel hunner Aram, terwijl een ander deel gelijknamig is met Uz, den zoon van Aram in Gen. 10 : 23. Rebekka’s vader Bethuël en haar broeder Laban worden herhaaldelijk Arameërs genoemd (Gen. 25 : 20; 28 : 5; 31 : 20, 24). Ja, een enkele maal heet Jacob zelf een Arameër (Deut. 26 : 5), vermoedelijk wegens zijn langdurig verblijf in het Arameesche land, en zijn verzwagering met den Arameër Laban.

Onder „Semietische talen” verstaan we in het algemeen de talen van die volken, welke in Gen. 10 tot de nakomelingen van Sem worden gerekend. In de tiende eeuw n. C. merkte een Joodsch geleerde op, dat er groote overeenkomst in bouw bestond tusschen Hebreeuwsch en Arabisch, te weten de Afoonf-Arabische taal der Mohammedaansche schrijvers. Nog meer in ’t oog loopend was de verwantschap tusschen Hebreeuwsch en Arameesch. Toen men in de zeventiende eeuw studie begon te maken van de taal der Abessinische kerk (het zoogenaamde Ethiopisch), bemerkte men al spoedig nauwe verwantschap met het Arabisch. In de achttiende eeuw begon men de Hebreën, Arameërs, Arabieren en Abessiniërs, met hunne onderling verwante talen, samen te vatten onder den naam Semieten.

Nadat in de negentiende eeuw het spijkerschrift was ontcijferd, bleek ook de Assyrische taal tot dezelfde groep te behooren. Deze taal werd eveneens in Babylonië gesproken, waarom ze ook wel Babylonisch-Assyrisch genoemd wordt. Tegenwoordig noemen sommigen haar bij voorkeur Akkadisch, wijl ze (voor zoover we weten) het vroegste tot bloei is gekomen in het land Akkad, d.i. Noord-Babylonië, terwijl in het land Sumer, d.i. Zuid-Babylonië, de Sumerische taal werd gesproken, welke hoegenaamd geen overeenkomst vertoont met de talen totnogtoe in deze alinea genoemd. Na 2000 v.

C. is de Akkadische taal in heel Babylonië tot heerschappij gekomen. De kennismaking met deze Akkadische of Babylonisch-Assyrische taal is ongetwijfeld de meest belangrijke stap vooruit, dien de Semietische taalwetenschap in de negentiende eeuw n. C. gedaan heeft. Bovendien maakte men studie van Fenicisch en Zuid-Arabisch. En niet alleen hield men zich bezig met al deze pude Semietische talen. Maar men bestudeerde ook de moderne twijgen aan den Arameeschen, den Arabischen en den Abessinischen tak van den Semietischen taalstam.

Wie de vorige alinea nauwlettend leest, zal opmerken, dat de Semietische taalverwantschap het vroegst is geconstateerd bij het Hebreeuwsch, het Arabisch en het Arameesch. Dus bij de talen van die volken, welke in Genesis voorkomen als Semieten in den engsten en tegelijk als Hebreën in den ruimsten zin. in de ethnologie duidt men deze groep ook wel aan met den naam Centraal-Semieten. Van deze echte, volbloed-, Centraal-Semieten zegt Genesis 10, dat het in zekeren zin allemaal Hebreën zijn, te weten in den ruimsten zin, dien dit woord maar eenigszins hebben kan. Geografisch beschouwd zijn het de Semietische bewoners van het groote AraboSyrische woestijn- en steppen-gebied, met insluiting eventueel van de Mesopotamische steppe, maar met uitsluiting van die Semieten (in taalkundigen zin), die zich heel vroegtijdig (in ’t algemeen vóór Mozes) hebben vastgezet in de cultuurlanden rondom dit woestijn- en steppen-gebied. Deze Cultuur-Semieten hebben zich vroegtijdig met andere volkselementen vermengd. In het woestijn-en steppen-leven worden alle verhoudingen beheerscht door het stam- en geslachtsverband, wat zeer bevorderlijk is aan de zuiverhouding van het bloed.

Maar in de cultuurlanden wordt het stam- en geslachtsverband ondermijnd door het stadsverband, dat op de oorspronkelijk heterogene bevolkingselementen een nivelleerende werking uitoefent. En zoo is het te verstaan, dat er in het oude Israël een opvatting bestond van het begrip „Semieten”, die alleen de Semieten van woestijn en steppe omvatte, maar de oude cultuurvolken buitensloot.

We hebben echter gezien, dat er in Israël ook een ruimere opvatting bestond. Inderdaad mogen we hier spreken van een „ruimere” opvatting. Want onder de vijf zonen van Sem, in Gen. 10:22 opgesomd zijn er ten minste twee (Elam en Assur), die buiten de engere opvatting vallen. Bij Assur komt dit ook hierin uit, dat hij in vers 11—12 tot de staten van Chamietischen oorsprong wordt gerekend. Al spraken de Assyriërs een Semietische taal, — ze hadden toch veel in zich opgenomen, wat On-Semietisch was. In Elam sprak slechts een deel der bevolking een Semietische taal.

Andere volken, zooals de Kanaanieten, met inbegrip van de Feniciërs, hadden wel een Semietische taal, maar worden toch door de Heilige Schrift heelernaal niet tot de Semieten gerekend. Hoe de Kanaanieten aan hunne Semietische taal zijn gekomen, weten we niet. Maar wel weten we in het algemeen, dat in den loop der eeuwen menigmaal een volk een taal heeft aangenomen, die met zijn afstamming niet overeenkwam.

De taalwetenschap, hoewel begonnen met de engere opvatting van het begrip Semiet, is allengs tot de ruimere opvatting overgegaan. En dit is volkomen begrijpelijk. Taalwetenschap vraagt nu eenmaal in de eerste plaats naar taal. En wanneer we uit taalkundig oogpunt een of ander volk tot de Semieten rekenen, dan laten we daarbij de mogelijkheid open, dat zulk een volk weinig of geen Semietisch bloed in de aderen heeft.

Bij de indeeling der Semietische talen gaat men niet uit van de onderscheiding tusschen de Centraal-Semieten in het Arabo-Syrische woestijnen steppen-gebied en de Semieten van min zuiver bloed in de cultuurlanden daar rondom heen. Want meermalen is een deel der Centraal-Semieten taalkundig nader verwant aan het naastliggende deel der Buiten-Semieten dan aan de overige Centraal-Semieten. Uit taalkundig oogpunt zijn er tegenwoordig voornamelijk twee indeelingen in zwang. De ééne is, dat men het BabylonischAssyrisch, als Oost-Semietisch, stelt tegenover alle verdere talen, die men dan West-Semietisch noemt. De andere is, dat men het Arabisch, met inbegrip van het Abessinisch, als Zuid-Semietisch stelt tegenover heel de rest, die dan Noord-Semietisch heet. De talen van Kanaan (Hebreeuwsch, Moabietisch, Fenicisch) en de Arameesche talen heeten West-Semietisch in tegenstelling met het Babylonisch-Assyrisch, maar Noord-Semietisch in tegenstelling met het Arabisch.

De indeeling in Noord- en Zuid-Semieten heeft het voordeel, dat ze niet alleen bruikbaar is bij de Semieten in ruimeren zin, maar ook bij de CentraalSemieten. We kunnen zeggen, dat in Gen. 10: 25 Peleg de Noord-Semieten vertegenwoordigt en Joktan de Zuid-Semieten. De Noord- en ZuidSemieten van den buitenrand laten zich taalkundig bij deze twee hoofdgroepen der Centraal-Semieten indeelen, terwijl de Oost-Semieten erbuiten vallen.

Alles wat totnogtoe in dit artikel gezegd is, heeft grootendeels betrekking op den tijd vóór de geboorte van Christus. Sedert is er veel veranderd. In de laatste eeuwen vóór Christus was het Babylonisch-Assyrisch in het gewone leven verdrongen door het Arameesch. Ook de Joden spraken veel Arameesch, maar lieten toch het Hebreeuwsch niet geheel en al los. Eeuwen lang is het zóó geweest, dat men in een heel groot deel van de Semietische wereld met Arameesch terecht kon. Daarin is echter verandering gekomen door het optreden van Mohammed en de snelle uitbreiding van den Islam.

Heel de Semietische wereld, voorzoover die in Azië lag, kwam onder Mohammedaansche heerschappij. In het publieke leven ging men bijna overal de Arabische taal gebruiken. Ook buiten het terrein van de oudere Semietische talen maakte het Arabisch groote vorderingen. Zoo in Egypte, ja in heel Noord-Afrika en een tijdlang zelfs in Spanje.

Toch zijn er in Voor-Azië nog afgelegen streken, waar Arameesche dialecten in den volksmond voortleven. Bij de Joodsche kolonisten in Palestina wordt het Hebreeuwsch weer als omgangstaal gebruikt. Natuurlijk een gemoderniseerd Hebreeuwsch met allerlei nieuwe woorden voor nieuwe dingen. Ook het Arabisch heeft in den volksmond groote veranderingen ondergaan.

In Abessinië is het Arabisch nimmer tot heerschappij gekomen. Verschillende dochtertalen van de oude Abessinische kerktaal worden daar nog gesproken.