Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 29-12-2019

Schoonheid

betekenis & definitie

Hoewel door Gods bestel de zin voor ’t schoone veel sterker bij de Grieken dan bij Israël uitkomt, terwijl de religieuze zin zich bij dit laatste volk veel krachtiger dan bij het eerstgenoemde uitsprak, meene men daarom niet, dat Gods Woord afwerend tegenover ’t schoone staat. De Bijbel is zelf een gewrocht van uitnemende schoonheid; men vergelijke daarover Dr Wielenga’s De Bijbel als boek van schoonheid; en bij het doorlezen der Heilige Schrift treft het ons telkens, welk een open oog de geïnspireerde schrijvers voor de schoonheid van Gods schepping hadden.

Aangrijpend is de schildering van de hemelen, die Gods eere vertellen en van het uitspansel, dat zijner handen werk verkondigt (Ps. 19). De natuurbeschrijvingen in het boek Job zijn boven allen kunstenaarslof verheven, zij mogen klassiek en daarom onovertrefbaar genoemd worden.

Evenmin als in de natuur, versmaadt de Bijbel de schoonheid bij den mensch. Op zich zelf is de opwaarts gerichte gestalte van den mensch, die slechts met twee smalle voetzolen de aarde raakt, en zich koninklijk uit het stof naar boven verheft, een heerlijk kunstwerk.

Uiteraard heeft de zonde de oorspronkelijke schoonheid van ons geslacht ook in het lichaam geschonden. Maar niettemin duidt de Bijbel velen uit ons gevallen geslacht nog als schoon aan; men denke aan de schoone Sarai, aan de dochteren der menschen uit Noach’s dagen, die schoon van aangezicht waren, aan de jonge dochter Rebekka, die zelfs zéér schoon genoemd wordt.

Naast deze vrouwen, wier sekse een bijzonder privilegie van lichte gratie en bevalligheid heeft, staan echter ook een reeks schoone mannengestalten: Jozef wordt ons geteekend als schoon van gedaante en aangezicht, David en Absalom eveneens, en de jongelingen aan het Babylonische hof ontvangen hetzelfde getuigenis. GodsWoord bepaalt ons dus zelf bij het menschelijk-schoone.

Niet alsof onze innerlijke waarde daarin gelegen was: de spreuk van de schoone gouden bagge in de varkenssnuit (Sprk. 11 : 22) leert het onze vrouwen anders, en het voorbeeld van den schoonen Absalom is leerzaam voor het mannelijk geslacht. Gepaard met en geheiligd door de vreeze des Heeren is de schoonheid echter een voorrecht te achten.

Waar die heilige zin ontbreekt, wordt zij een gevaar, waardoor menigeen ten val gebracht is.

Van het schoone in de schepping en in den mensch, dat rechtstreeks van God komt, gaan we nu over tot het schoone in de kunst, dat door middel van het menschelijk talent tot stand wordt gebracht.

Ook dit stamt in hoogste instantie van God als den oppersten Kunstenaar af. Hij heeft er de gaven voor geschonken.

Toonkunst, dichtkunst, schilderkunst, beeldhouwkunst, — wij mogen er met dankzegging van genieten, zoolang deze kunsten zich niet prostitueeren en de zonde dienen, maar de verheerlijking Gods beoogen. Nog ééne schrede, en wij staan midden in het vraagstuk aangaande de plaats, die het schoone op ’t gebied der religie moet innemen.

Velen meenden en meenen nog het schoone radicaal van dit gewijde terrein te moeten verbannen, ’t Heet dan, dat het in den kring van ’t geloofsleven niet om schoonheid, doch om waarheid te doen is. Volkomen juist.

Maar minder juist is de conclusie, dat schoonheid en waarheid een onverzoenlijke tegenstelling vormen. God zelf heeft aan Mozes het voorbeeld getoond, waarnaar hij den schoonen tabernakel moest bouwen, waarin de Heere met hetteeken der wolk zou komen wonen.

Hij heeft ook met zijn Geest mannen bekwaamd om de vereischte kunstwerken te maken. En wie in den voltooiden tabernakel binnentrad en zijn blik liet gaan over de kunstpracht, die er in te zien was, zou nooit op het denkbeeld komen, dat het schoone niet met het heilige te verbinden is.

De latere tempel was eveneens een wonder van schoonheid.

Wij weten, hoeveel David en Salomo er aan ten koste gelegd hebben om hem in te richten tot een waardig huis des Heeren.

De priesterkoren waren ook al beoefenaars der schoone kunst. Ja, de geheele symboliek der oude bedeeling was op allerlei wijze een belichaming van’t schoone, tot het hoogepriesterlijk gewaad toe.

Onder dit licht is het vreemd het schoone van het heilige terrein te willen verwijderen. Ongetwijfeld is dit streven te verklaren uit een reactie tegen de Roomsche kerk: de beeldenstorm is er het afdoend bewijs van, en de afkeer van alwat kunst heet gaat soms zóóver, dat het betamelijke onderhoud der bedehuizen eenvoudig nagelaten wordt, alsof het leelijke en verwaarloosde de meest waardige omgeving voor de aanbidding des Heeren ware! Toch schuilt er een waarheidselement in de antipathie jegens het schoone op het terrein der regilie.

In de Roomsche kerk overheerschte het schoone de waarheid, waarin alleen het leven is. Rome’s kunstpracht sprak tot de zinnen, terwijl het woord der genade tot het hart spreekt.

Volkomen terecht wilde men die overheersching van het schoone breken om haar te vervangen door de geestelijke heerschappij van Gods Woord. Men ging alleen te ver, daar God zelf het schoone in ’t heilige ingevlochten heeft.

Men had zeer zeker recht de kunst te onttronen, maar men had haar een bescheiden plaats moeten laten, zij mag niet de heerscheresse over ’t heilige zijn, maar als nederige dienstmaagd mocht en kon zij medewerken aan de verheerlijking Gods. Deze roeping komt haar toe.

Heerlijk, verheffend orgelspel, kostbaar zilver op den Avondmaalsdisch, gedekt met fijn damast, een prachtig doopbekken, een fraai gebeeldhouwde kansel, een zang die ’t beste geeft wat mogelijk is, een kerkgebouw in eigen stijl, en zooveel meer ’t kan alles het heilige dienen, al blijft Gods Woord het middelpunt, waaromheen de gemeente vergadert.

Zion heet in de Schrift de volkomenheid der schoonheid (Ps. 50 : 2).

Wij belijden ook in hope, dat wij éénmaal zonder vlek of rimpel, d.i. in onberispelijke schoonheid voor’s Heeren aangezicht zullen verschijnen. En in ’t Nieuw-Jeruzalem, dat wij verwachten, glanst de parel, schittert het goud, flonkeren de edelgesteenten.

Iets van die hemelsche schoonheid moet in- en uitwendig in de aardsche gemeente te zien zijn, — zij mag het schoone niet verwerpen.