Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 29-12-2019

School

betekenis & definitie

In den zin van leerplaats een woord van andere herkomst dan het woord „school” = verzameling of menigte. Het woord komt van het Grieksche woord axokt) rust of vrije tijd, speciaal dan: vrije tijd aan studie besteed.

Vandaar dan ook, dat de beteekenis van het woord allerminst tot „leerplaats" behoeft beperkt te blijven. We spreken ook over een „school” in den zin van een groep wetenschappelijke mannen, die onderling op een of andere wijze met elkander in verband levend, volgens eenzelfde methode of met dezelfde grondgedachten de wetenschap beoefenen.

Verder denken we ook bij school, b.v. in de uitdrukking „school-houden” aan méér dan enkel aan de leerplaats: we verstaan er dan onder het geheel van het instituut dat zich (namens de ouders) met onderricht en ten deele ook met opvoeding bezig houdt. Zoo behoort tot het schoolwezen al datgene wat met de inrichting en organisatie van het onderwijs — zoowel middelbaarals lager- en vak-onderwijs — bezig houdt.

In den strikten zin kan men evenwel het Hooger-Onderwijs niet tot het school-wezen rekenen, in den loop der eeuwen toch werd aan het begrip school verbonden het begrip van het niet-zelfstandig werken van den leerling en het begrip van formeele gebondenheid aan de instructie-orde. Dit nu ontbreekt, vanzelfsprekend, bij de Universiteit.

Wel zal dikwijls aan een Universiteit een „school” in den boven-aangeduiden zin van „wetenschappelijke richting” vertegenwoordigd zijn.De ruimte in dit boek verbiedt een volledig overzicht van de historie van de school te geven. Slechts enkele opmerkingen, voorzoover het betreft de eeuwen na Christus. Het heidendom kende zijn rhetorenscholen, waar de vorming tot redenaar het einddoel van de opvoeding was. De eerste Christelijke opvoedings- en onderwijsinrichtingen waren de katechetenscholen, waar oorspronkelijk onderwijs gegeven werd aan heidenen, die Christen wilden worden. Het karakter van deze scholen veranderde toen het Christendom meer algemeen werd beleden en uit de oude scholen, die intusschen voor een deel vervielen, ontstonden de nieuwe met een eenigszins gewijzigd karakter; niet alleen de Christelijk-theologische, ook de z.g. heidensche wetenschappen, als b.v. rhetorica, werden er onderwezen (Alexandrië, Antiochië, Edessa, Nisibis, Rome). Het gering aantal dezer scholen deed sommige bisschoppen een seminarium oprichten.

De invallen der Germaansche stammen in de oude wereld, en andere oorzaken, als b.v. het eindigen van theologische geschillen, waarbij de scholen rechtstreeks betrokken waren, deden de katechetenscholen in verval geraken. Daarna komen in West-Europa op de kloosterscholen (de eerste van de Benedictijnen). Oorspronkelijk bedoeld als onderwijs-inrichting voor de a.s. geestelijken (vanaf het 7e jaar, pueri oblati), waren de hoogere standen weldra voor de algemeene ontwikkeling van hun kinderen op deze scholen aangewezen. Het Latijn, oorspronkelijk als kerktaal hier onderwezen, werd op die manier ook de taal der geleerden. Karel de Groote poogde voor het volksonderwijs te zorgen — aan de kerk opgedragen — maar de tijd was nog niet rijp. Wel werd op zijn aandrang (synode te Aken 789) aan de Kathedraal- of Domscholen (ook wel: „Stiftscholen”) veel meer invloed gegeven ; en in 809 werden weder op zijn instigatie „Pastoorsscholen” gesticht; de onrust der tijden deed evenwel de meeste dezer laatsten weer verdwijnen.

Allengs begon zich evenwel de Universiteit te ontwikkelen — hierover handelen we hier niet. Maar na het (na de kruistochten) opkomen van den burgerstand kwamen er (midden 13e eeuw) ook allengs Stads- of Raad-scholen, waar evenwel nog Latijn werd onderwezen en (althans in de hoogere klassen) het Latijn de voertaal was. Naast deze ontstonden in de 15e eeuw de „Latijnlooze” Schrijfscholen („Duitsche”, „Nederduitsche schrijfscholen”) terwijl daarnaast particuliere onderwijsinrichtingen verrezen. De vakken op school onderwezen hielden nauw verband met de oeconomische behoefte van de stad of de omgeving. De Reformatie gaf aan het oprichten der scholen een krachtigen stoot. Het belang dat men er in zag, dat ieder den Bijbel lezen kon, bracht mede, dat men den eisch stelde, dat zooveel mogelijk elk kind de school zou bezoeken.

Het toezicht op de school en het onderwijs werd aan de kerk opgedragen. Daarnaast was evenwel onder invloed van het Humanisme voor de scholen een methode opgekomen, die de Reformatie niet principiëel vermocht te beïnvloeden. Tegen het einde der 18e en in het begin der 19e eeuw wordt de school al méér algemeen, ook en juist door het (mede onder invloed van Pestalozzi) invoeren van het klassicaal systeem. De school wordt een levensbehoefte, leder bezoekt in zijn jeugd de school. Tot welk een strijd de school in Nederland aanleiding gaf — daarvoor zie men het artikel Schoolstrijd. (Zie verder art. Onderwijs en Opvoeding.)