Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 08-01-2020

Opleiding

betekenis & definitie

De geschiedenis van de opleiding tot den dienst des Woords bij de Gereformeerden is beschreven door Dr H. H.

Kuyper in zijn proefschrift (1891). Over de academische opleiding der predikanten door de Hoogleeraren der Groninger richting klaagden in 1842 de „Zeven Haagsche Heeren” in hun Adres aan de Algemeene Synode der Nederlandsch Hervormde kerk.

En ook de thans nog bestaande opleiding van de predikanten der Nederlandsch Hervormde kerk is zoowel uit theoretisch als uit practisch oogpunt beschouwd zeer onbevredigend. Dit is zoowel de schuld van de Kerk als van den Staat.

Toen laatstgenoemde, onder moderne invloeden, de theologie verving door de godsdienstwetenschap, en zoowel de dogmatiek als de practische theologie uit de leervakken verwijderde, heeft de Kerk wel dankbaar het zestal kerkelijke hoogleeraren aanvaard, maar is zij bij de benoeming dier professoren zoo onpaedagogisch mogelijk te werk gegaan. Die fout was nóg meer te betreuren, dan de schreeuwende partijdigheid en onrechtvaardigheid, welke bij de keuzen voorzaten.

Professor Daubanton heeft dit omstandig en met billijke verontwaardiging herinnerd in zijn Woord bij de komende reorganisatie van ons hooger onderwijs (1904). Over de vroegere opleiding in de kerken uit de Afscheiding van 1834 spraken de professoren M.

Noordtzij, D. K.

Wielenga, H.

Bavinck en P.

Biesterveld in hun brochure: Opleiding en Theologie (1896). Bij de vereeniging der beide kerkengroepen uit de Afscheiding en uit de Doleantie kwamen ook de scholen ter opleiding van de aanstaande dienaren des Woords ter sprake.

De eerste groep had met groote liefde en ten koste van zware offers gedurende een lange reeks van jaren haar Theologische School te Kampen onderhouden; de andere had tijdens de Doleantie in het groote gebrek aan predikanten tijdelijke voorziening gevonden door de theologische candidaten, die de Vrije Universiteit te Amsterdam haar verschafte. Begrijpelijkerwijs was nu elke groep zeer gehecht aan haar eigen opleidingsschool, en gingen de sympathieën in tweeërlei richting uiteen, naar Kampen of naar Amsterdam.

Wat de opleiding tot het leeraarsambt betreft oordeelden de kerken uit de Scheiding op haar Synode in 1891, het beginsel te moeten handhaven, dat de kerk geroepen is een eigen inrichting tot opleiding harer leeraren te hebben, tenminste wat de godgeleerde vorming betreft. De kerken uit de Doleantie namen genoegen met deze verklaring, altoos verstaande, dat de bedoeling ervan niet is:1° om het aloude gereformeerde beginsel van vrije studie te vernietigen ; noch ook
2° om verandering te brengen in de gereformeerde wijze van kerkelijke examinatie der aanstaande dienaren des Woords; evenmin
3° om iets te laten vallen van den eisch van wetenschappelijke ontwikkeling, die steeds door de Gereformeerde kerken gesteld is, en ook
4° niet om tegen te spreken, dat de vereenigde kerken over de regeling dezer zaak later, indien noodig, hebben te oordeelen.

De Synode van Zwolle (1911, art. 47) verklaarde, dat uit de bewoordingen zelf van deze overeenkomst en uit den aard der zaak volgt, dat de Gereformeerde kerken in Nederland noch in dit beginsel noch in eenig ander beginsel van opleiding ooit een dogma hebben gezien, en vermaande alle broeders, om, ook bij verschil van overtuiging op dit punt, elkander in broederlijke liefde te verdragen.