Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 08-01-2020

Nieuwe Testament

betekenis & definitie

a. Begrip

Wanneer wij spreken van het Nieuwe Testament, bedoelen we daarmede, dat de zeven en twintig boeken, die we in het Nieuwe Testament vinden, niet slechts door betrekkelijk toevallige omstandigheden gebundeld zijn, b.v. omdat ze alle dagteekenen uit denzelfden tijd, of omdat ze de oorkonden zijn van het oudste Christendom, maar dat ze bijeen behooren, innerlijk aan elkander verbonden zijn en eerst tot hun volle recht komen als deelen van de eenheid. Het Nieuwe Testament is niet een optelsom, doch een organisme, de afzonderlijke boeken zijn niet slechts geïnspireerd door den Heiligen Geest, maar Gods Geest heeft ze ook bijeen doen komen.

Dit besef, dat het Nieuwe Testament een eenheid is, kon uit den aard der zaak eerst langzaam rijpen. Aanvankelijk waren er afzonderlijke boeken. Paulus schreef zijn brieven naar onderscheidene gemeenten, de evangeliën werden opgesteld voor verschillende kringen en personen. Men kan zeggen, dat reeds omstreeks het jaar 100 na Chr. sprake is van een bundel van evangeliën en van een bundel van brieven van Paulus, dat omstreeks het midden van de tweede eeuw gevoeld werd, dat die twee bundels bijeen hoorden. En omstreeks 200 kan gesproken worden van een Nieuwe Testament naast het Oude, omdat we uit dien tijd hebben een lijst, die de boeken opsomt die tot het Nieuwe Testament behooren (Canon Muratorianus, zie art. Muratorisch fragment) en enkele kerkvaders, Ireneus, Tertullianus, Clemens Alexandrinus toonen een Nieuwe Testament als eenheid te kennen.

Vraagt men, hoe het besef levendig is geworden, dat die verschillende en aanvankelijk verspreide boeken bijeen behoorden, dan is daarop slechts tot op zekere hoogte een antwoord te geven. Men kan er op wijzen, dat boeken van apostolischen oorsprong boven andere werden geëerd, dat bepaalde boeken in de kerk werden voorgelezen en andere niet, dat het tegenover de ketterij (m. n. tegenover Mardon en de Montanisten) noodig was een eigen, afgesloten canon te hebben. Maar al zijn deze factoren zeer zeker van beteekenis geweest, ze kunnen noch ieder afzonderlijk, noch tezamen verklaren, dat er een Nieuwe Testament is ontstaan en dat het juist deze en geen andere boeken bevat.

Wij worden dan ook, gelet op wat Jezus aan de kerk heeft toegezegd en gelet op de uitkomst, gedwongen om aan te nemen, dat God de Heilige Geest zelf de kerk allengs tot het inzicht heeft gebracht, dat die en die boeken behoorden tot den canon van het Nieuwe Testament. (Zie verder F. W. Grosheide, Kanon en Tekst van het Nieuwe Testament, Baarn, 1916.)

Nadat nog gedurende 200 jaren in de kerk gestreden is, over de vraag, welke boeken behooren tot het Nieuwe Testament, hebben eindelijk de conciliën van Hippo Regius (393) en Carthago (397) beleden, dat de 27 boeken, die we nu tot het Nieuwe Testament rekenen, canoniek waren. En die belijdenis is sinds door de kerk gehandhaafd. Men vindt ze ook in Art. 4 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis. Het is dus niet zóó, dat de kerk de boeken canoniek gemaakt heeft, alsof hun canoniciteit rusten zou op het gezag der kerk, maar gelijk de kerk de Triniteit beleden heeft, zoo heeft ze beleden en belijdt ze nog te gelooven, dat die en die boeken behooren tot het Nieuwe Testament, omdat ze van God, d. i. canoniek zijn. (Zie verder het art. Bijbel IV, le deel, bl. 312 vlg.).

b. Naam

Het spreekt vanzelf, dat de naam Nieuwe Testament pas in gebruik kon komen, toen er een Nieuwe Testament was en als Nieuwe Testament werd gezien. Een naam om het Nieuwe Testament aan te duiden, vinden we, als we daarbij denken aan den bundel geschriften, dus zooals wij het woord Nieuwe Testament gebruiken, in het laatst van de tweede eeuw. We kunnen hier niet ingaan op verschillende namen en aanduidingen die bij kerkvaders voorkomen (men zie daarover F. W. Grosheide, De Eenheid der Nieuw-Testamentische Godsopenbaring, Kampen, 1918) en moeten er ons toe bepalen mee te deelen, dat de later algemeen gebruikelijke naam kainè diathèkè, nieuwe verbond, in elk geval voorkomt bij Clemens Alexandrinus, terwijl de naam novum testamentum of instrumentum (ook deze laatste naam is als titel nog in de 16e eeuw gebruikt) te danken is aan Tertullianus. Natuurlijk is het van beteekenis, dat men dezen naam koos en behield.

Het woord diathèkè, testamentum, komt in de Schrift voor, het is de naam voor het verbond Gods, Zijn genadige beschikking, en nieuwe testament is bepaald ook de nieuwe bedeeling der genade, die gekomen is met Christus’ werk op aarde (vgl. Matth. 26:28; 1 Cor. 11:25; 2 Cor. 3:6; Hebr. 9 : 15 enz.). Het Nieuwe Testament als bundel, is het boek, dat bij deze bedeeling der genade behoort, haar in het bijzonder openbaart.

c. Karakter

Met deze laatste aanduiding is het Nieuwe Testament tevens gekarakteriseerd. Het is de bijzondere openbaring Gods omtrent het werk van Jezus Christus in de volheid des tijds, voorzoover die openbaring noodig is voor de kerk aller eeuwen. Van het Nieuwe Testament is Jezus Christus het middelpunt. De evangeliën teekenen ons Zijn werk op aarde, de brieven beschrijven het karakter, de vruchten van dat werk. De Handelingen spreken ons van het begin van de kerk in de nieuwe bedeeling, de Christelijke kerk, de Openbaring spreekt van het einde van die kerk op aarde bij Jezus’ wederkomst. Zoo draagt het Nieuwe Testament het kenmerk van alle openbaring Gods, het kwam in de geschiedenis tot stand, verhaalt geschiedenis, geeft meer uiteenzettende boeken in de brieven, en in de Openbaring, gelijk in sommige stukken van andere boeken (Matth. 24; Marc. 13; 2 Thess. 2 enz.), profetie.

Er is op zichzelf geen reden het Nieuwe Testament te plaatsen boven het Oude. Zoo goed als het Oude is het Gods Woord en gelijk het Oude Testament niet zonder het Nieuwe verstaanbaar is, zoo het Nieuwe niet zonder het Oude. Wat niet wegneemt, dat het Nieuwe Testament den Raad Gods tot onze verlossing ten volle, klaarder openbaart. Hier schittert de volheid der genade Gods tot Zijn eigen heerlijkheid.

Het is van groote beteekenis, dat het Nieuwe Testament door taal en vorm staat in de GriekschRomeinsche wereld.

Komt het Oude Testament uit het Oosten, het Nieuwe ziet naar het Westen. Zonder een Nieuw Testament kon de kerk geen wereldkerk worden en opdat ze dat worden zou, gaf God haar zulk een Nieuw Testament.

Men zie voorts de artikelen over Bijbel, Bijbeltekst, Bijbelvertalingen en die over de afzonderlijke boeken van het Nieuwe Testament.