Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 08-01-2020

Mozes

betekenis & definitie

(in het Hebreeuwsch mosjêh) was de zoon van Amram enjochebed, beide uit den stam Levi ; zijne zuster, Mirjam, en zijn broeder, Aâron, waren beide ouder dan hij. Hij werd geboren in den tijd van Israëls verdrukking in Egypte, en zijn leven was reeds onmiddellijk in gevaar tengevolge van het bevel van den toenmaligen Farao dat alle jongens, die den Israëlieten geboren werden, in de rivier (d.i. de Nijl) moesten geworpen worden (Ex. 1 : 22).

Zijne moeder wist echter aanvankelijk te verhoeden dat hij aan dit wreede bevel ten offer viel ; maar na drie maanden zag zij niet langer kans hem verborgen te houden, en legde hem nu, om te voorkomen dat hij door wreede hand in het water zou geworpen worden, in een zorgvuldig met pek (aardpek, d.i. asfalt) waterdicht gemaakt biezen kistje tusschen het riet aan den oever van den Nijl, in de hoop dat hij op deze wijze mogelijk nog in het leven zou blijven (Ex. 2:2—4). Deze hoop werd niet beschaamd: de prinses, de dochter van den Farao, die gewoon was juist op die plek in de rivier een bad te nemen, zag het kind en nam het als haar eigen zoon aan (Ex. 2 : 5—10).

Als zoodanig ontving hij ook een Egyptischen naam : waarschijnlijk Mesjoe = kind (hoewel anderen gemeend hebben daarin twee Egyptische woorden te kunnen terugvinden: „water” en „gered”). In elk geval spreekt het vanzelf dat de wijze waarop de naam met het Hebreeuwsche werkwoord masjah „uittrekken” in verband wordt gebracht (Ex. 2 : 10) niet aan de Egyptische prinses zelf te danken is : zij heeft geen Hebreeuwsch maar Egyptisch gesproken ; in haar mond moet het gezegde deze beteekenis hebben gehad: ik heb dit kind uit het water gehaald, daarom heb ik er recht op en mag ik het een naam geven naar mijn believen.

Het Hebreeuwsche oor hoorde in den naar het eigen taaleigen gewijzigden naam Mosjêh het werkwoord masjah, en daarom koos de gewijde schrijver dit om er het gezegde der prinses in weer te geven. Dat Mozes een opvoeding ontving overeenkomstig zijne positie als aangenomen zoon der prinses spreekt vanzelf; daarom kon Stephanus terecht zeggen dat hij „werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren” (Hand. 7 : 22).

Toen hij evenwel volwassen geworden was, begon de band aan zijn volk te trekken (vgl. Hebr. 11 : 24—26), en toen hij bij zekere gelegenheid met de daad voor een zijner volksgenooten partij trok (Ex. 2 : 11, 12) zag hij zich genoodzaakt Egypte te ontvluchten en de wijk te nemen naar het land Midian (Ex. 2 : 15), waar hij gastvrijheid vond bij den priester Rehuël (ook |ethro genoemd), en diens dochter ter vrouw nam (Ex. 2 : 16—22).

Nadat hij vele jaren zoo in ballingschap had doorgebracht, verscheen hem de Heere in een brandenden doornstruik, die door de vlam niet werd verteerd (Ex. 3 : 2 v.v.) en riep hem tot de geweldige taak om Israël uit Egypte te verlossen. Mozes verzet zich aanvankelijk ten sterkste, daar hij zich tot zoo grootsche roeping niet bekwaam acht, maar God heeft hem geroepen en hij moet aan die Goddelijke roeping gehoor geven.

Derhalve keert hij, met zijne vrouw en kinderen, naar Egypte terug.

Onderweg ontmoet hij zijn broeder Aaron (Ex. 4:27), met wien hij gezamenlijk aan het hof verschijnt, ten einde van den Farao de vrijlating van Israël in ’s Heeren naam te vragen.

Door verschillende wonderteekenen moet hij zijn eisch kracht bijzetten, maar als de Farao doof blijft, wordt zijne hardnekkigheid gebroken door een tiental plagen die Egypte treffen. De tiende en laatste, het sterven van alle eerstgeborenen, dwingt hem eindelijk de vrijlating der Israëlieten af, ter herinnering waaraan het Pascha wordt ingesteld (Ex. 12).

Doch toen zij eenmaal vertrokken waren, kreeg hij er spijt van dat hij ze had laten gaan, en met een vliegend corps achterhaalde hij ze vlak bij de Roode Zee. Op Gods bevel kliefde Mozes de zee met zijn staf, zoodat er een pad ontstond, waarlangs de Israëlieten droogvoets naar de overzijde konden trekken; doch toen de Egyptenaars hen ook door de zee achtervolgden, keerden de wateren terug en verzwolgen hen (Ex. 14 en 15).

Nu leidde Mozes zijn volk door de woestijn naar den berg Sinaï, terwijl Gods wonderen voor voedsel en water zorgden; en bij dezen berg werd het verbond gesloten tusschen den Heere en Israël als Zijn volk (Ex. 19 : 3—8). Voorts ontving Mozes op dezen berg de wetten voor Israëls godsdienstig en maatschappelijk leven; in de eerste plaats de Wet der Tien Geboden (de z.g.

Dekaloog), die in haar algemeene geldigheid als openbaring van den Goddelijken wil voor heel het menschenleven ook de grondslag voor Israëls wetgeving is. Overeenkomstig de voorschriften van deze wetten werd nu ook de eeredienst des Heeren ingericht, en naar het Goddelijk model, op den berg Mozes getoond, werd een heiligdom, de tabernakel, met alle toebehooren daarvoor vervaardigd.

Naar de meening van vele geleerden uit vroeger en later tijd is deze geheele wetgeving niet door Mozes’ bemiddeling aan Israël geschonken, maar pas lang na Mozes’ tijd bij verschillende gedeelten tot stand gekomen: op enkele weinige oudere stukken na niet vroeger dan omstreeks de regeering van koning Josia, kort voor de Babylonische ballingschap, en voor een zeer belangrijk deel zelfs pas na die ballingschap, in de dagen van Ezra en Nehemia. In verband daarmee wordt dan de werkzaamheid van Mozes voor zijn volk ten zeerste beperkt; volgens sommigen zou aan hem niet veel meer te danken zijn dan dat hij hen tot den dienst van JHVH als hun God gebracht heeft; volgens enkelen zou het zelfs de vraag zijn of Mozes eigenlijk wel als een historisch persoon beschouwd kan worden.

In ieder geval wordt datgene wat van hem in de boeken Exodus tot en met Deuteronomium bericht wordt grootendeels voor legende gehouden.

Het behoeft geen betoog dat zulke beschouwingen volkomen in strijd zijn met het getuigenis der Heilige Schrift, en dat ze haar Goddelijk gezag te niet doen.

Maar er zijn ook zeer krachtige feitelijke argumenten daartegen aan te voeren. Reeds meermalen is er op gewezen, dat geen volk een slavenpositie, zooals Israël in Egypte innam, voor zijn verleden fantaseert ; als de fantasie aan het werk gaat, heeft ze veeleer de neiging om het nationaal verleden te idealiseeren ; de slavernij van Israël in Egypte, en de verlossing daaruit kan dus niet anders dan werkelijkheid geweest zijn.

Dat Israël in later tijd Mozes steeds als den grooten wetgever heeft beschouwd, kan ook niet anders dan op reëele feitelijkheid berusten: hoe zou men er toe gekomen zijn, indien daarvoor geen enkele historische grondslag aanwezig was? Bovendien is het duidelijk dat de profeten voortbouwen op de wet; zij treden niet op als predikers van een nieuwe leer, als stichters van een nieuwen godsdienst, maar roepen Israël steeds weer naar de oude paden terug, zij zijn reformatoren van het volksleven, dat door afglijding van het oorspronkelijke fondament verdorven was. En merkwaardig genoeg hebben de gronden, waarop de meening omtrent de latere wording der wetten in de boeken Exodus tot en met Deuteronomium steunde, in den allerlaatsten tijd zeer krachtige bestrijding ondervonden ook van een zijde, die allerminst het Goddelijk gezag der Heilige Schrift aanvaardde ; wat vroeger in de kringen der Oud-Testamentische wetenschap vrijwel voor uitgemaakte waarheid gold, is thans weer geheel wankel en onzeker geworden.Nadat Mozes op den Sinaï de Goddelijke wetgeving voor zijn volk had ontvangen, en de tabernakel met al zijn toebehooren daar in gereedheid was gebracht, maakte hij zich, dertien maanden na den uittocht uit Egypte, op Gods bevel gereed den tocht naar Kanaan voort te zetten (Num. 1 : 1 v.v.). Toen zij te Kades, in de woestijn Paran, gekomen waren, zond Mozes twaalf verspieders uit om het land op te nemen. Deze brachten een gunstig bescheid weder omtrent de geaardheid van het land, maar spraken op zeer ontmoedigende wijze (behalve Kaleb en Jozua) over de sterkte van volk en steden. Als gevolg hiervan kwam het geheele volk tegen Mozes in verzet, en weigerde verder te trekken; het overlaadde Mozes met bittere verwijten, en vormde het plan om een ander als aanvoerder te kiezen en onder diens leiding maar weer naar Egypte terug te keeren (Num. 14:1 v.v.). Door het rechtstreeksche ingrijpen Gods werd dit echter verhinderd: de verspieders die het volk moedeloos hadden gemaakt werden door een plotselingen dood weggeraapt (Num. 14:37), en in ’s Heeren naam moest Mozes zijn volk aankondigen, dat het nu ook Kanaan niet mocht binnentrekken, maar moest rondzwerven in de woestijn veertig jaar lang, tot allen, die op dat oogenblik twintig jaar of ouder waren, gestorven zouden zijn; want dat van die allen niet één een voet in Kanaan zetten zou, behalve Kaleb en Jozua. En zoo moest dus Mozes met zijn volk opnieuw de woestijn in, en daar heen en weer trekken tot de straftijd verloopen was.

Gedurende die omzwerving in de woestijn hadden nog verschillende gebeurtenissen plaats waaruit de weerbarstige aard van het volk bleek: het oproer van Korach, Dathan en Abiram (Num. 16) en de murmureeringen bij Meriba (Num. 20 : 2—13) en op den weg om Edom heen, waar zij met vurige slangen werden gestraft (Num. 21 : 4—9). Bij Meriba bezondigden zich ook Mozes en Aaron, door zich niet te houden aan Gods gebod om tot de steenrots te spreken, doch daarop te slaan; tot straf daarvoor werd hun door den Heere aangekondigd dat ook zij het land Kanaan niet zouden betreden. Aaron stierf ook spoedig daarna op den berg Hor (Num. 20 : 23—29). Mozes echter bracht zijn volk nog tot aan de grenzen van Kanaan, na eerst het gebied van de Amorieten onder Sihon en het land Bazan, waarvan Og koning was, aan de Oostzijde van den Jordaan, te hebben veroverd en het op hun verzoek te hebben toegewezen aan de stammen Ruben en Gad, benevens den halven stam van Manasse. Terwijl het volk dan vlak bij het beloofde land in de vlakke velden van Moab gelegerd was hield de groote Godsman zijn afscheidsrede, die wij vinden in het boek Deuteronomium : hij begint daarin met een herinnering aan het verblijf bij den Sinaï en den tocht naar Kades, alsmede aan hetgeen daar gebeurd en de omzwerving in de woestijn die daarop gevolgd is; spreekt vervolgens meer uitvoerig over de gebeurtenissen van den laatsten tijd: de verovering van het Oost-Jordaansche en de toewijzing aan de twee stammen en den halven; om daarop ernstig en nadrukkelijk tot inachtneming van ’s Heeren geboden te vermanen. Hij herhaalt dan de tien geboden en allerlei andere voorschriften der Sinaïetische wetgeving, waarbij ook onderscheidene nieuwe bepalingen worden opgenomen; om te eindigen met zijn volk zegen en vloek voor te houden: den zegen, indien zij Gods geboden bewaren, en den vloek, indien zij daarvan afwijken.

Na deze wetgevende rede te hebben op schrift gebracht (Deut. 31 : 9) en nog een lied als zijn zwanenzang te hebben doen hooren (Deut. 32), sprak hij ten slotte zijn zegen uit over zijn volk (Deut. 33), om daarna, gelijk de Heere hem had bevolen, den berg Nebo te bestijgen, vanwaar hij in een heerlijk vergezicht een blik mocht slaan op het schoone land dat zijn volk ten erve zou toevallen, maar waarin hij om zijn zonde geen voet zetten mocht; en daarna stierf hij, en werd door God zelf begraven, zoodat niemand ooit zijn graf heeft geweten (Deut. 34 : 1—6). Honderd en twintig jaar was Mozes toen; maar geen gebogen, zwakke gestalte; hoog opgericht en krachtig was nog zijn gang en zijn oog had niets van zijn scherpte verloren (Deut. 34 : 7). Dertig dagen lang droegen de Israëlieten rouw over hun grooten leidsman (Deut. 34 : 8), den Middelaar des Ouden Verbonds, voorbeeld en type bij uitnemendheid van Jezus Christus, den waarachtigen Middelaar; die telkens voor zijn volk als het gezondigd had in de bres sprong (Ex. 32 : 11 v.v.; 33 : 12 v.v. ; Num. 14 : 13v.v.), en zichzelf aanbood om de straf te ondergaan, die zijn volk had verdiend (Ex. 32 :32).

Geen wonder dat we ook in de overige boeken der Heilige Schrift herhaaldelijk den naam van Mozes vinden genoemd. Voor Jozua is Mozes het voorbeeld: de Heere zal met hem zijn, zooals Hij met Mozes geweest is (Joz. 1 : 5; 3 : 7); en in Profeten en Psalmen wordt meermalen naar hem heengewezen (Jes. 63:11,12; Jer. 15:1; Micha 6 : 4; Ps. 77 : 21; 99:6; 103:7; 105:26; 106 : 16, 23, 32). Ook in het Nieuwe Testament vinden we herinneringen aan de groote daden die hij in Gods kracht heeft gedaan (Joh. 6: 31, 32; Hand. 7 : 20 v.v.; 1 Cor. 10 : 1—4; 2 Cor. 3 : 7; 2 Tim. 3 : 8; Hebr. 3 : 2 v.v.; 3 : 16; 8 : 5; 11 : 23 v.v.; Jud. : 9; Openb. 15:3). Nog veel talrijker zijn, gelijk in den aard der zaak ligt, de verwijzingen naar de wet van Mozes, zoowel in het Oude (Joz. 1 : 7; 8 : 31, 32; 22 : 5; 23 : 6; 1 Kon. 2 : 3; 2 Kon. 14: 6; 21 : 8; 23: 25; 2 Kron. 23 : 18; 25 : 4; 30 : 16; 34: 14; 35: 12; Ezra 3:2; 6 : 18; 7:6; Neh. 8:2; 13 : 1; Dan. 9 : 11, 13; Mal. 4 : 4) als in het Nieuwe Testament (Joh. 1 : 17; 7 : 19, 23; 8 :5; Hand. 15 : 5; 28 : 23; 1 Cor. 9 : 9; Hebr. 9 : 19). In het boek der Psalmen is er één, die den naam van Mozes draagt (Ps. 90); terwijl in het Nieuwe Testament de naam „Mozes” dient om de eerste vijf Bijbelboeken (den z.g. Pentateuch) aan te duiden (b.v. Hand. 15: 21) en in verband daarmee „Mozes en de Profeten” de naam is voor het geheele Oude Testament (Luc. 16 : 31; 24 : 27; Hand. 26 : 22).