Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 08-01-2020

Keursteen

betekenis & definitie

Openb. 2 : 17. „Deze steen is een voorstelling van den persoon, die hem ontvangt. Bij Israël werden ook de 12 stammen voorgesteld door steenen in de borstlap van den hoogepriester, Ex. 28 : 15—21 vgl. daar ook vs 9—14.

Op die steenen stonden de namen der stammen ingegraveerd. Maar die steenen waren verschillend van kleur.

Deze steen is echter wit. Dat wit spreekt van vrijheid van schuld en van reinheid en van heerlijkheid ; 3 : 4; 6:1; 1:14.

En de steen zelf verzinnebeeldt het duurzame, onvergankelijke. Met dezen witten steen wordt dus aangeduid een van schuld vrijgesproken, en van zonde gereinigd, heerlijk en onverderfelijk, wezen en bestaan.

Op den steen staat een nieuwe naam geschreven. Deze naam is niet die van God noch die van den Heere Christus.

Deze naam is die van den persoon, die dezen steen ontvangt. Hij drukt het innerlijk wezen van dien persoon uit.

In de Heilige Schrift is de naam de persoon zelf naar de openbaring van zijn wezen, de zaak in haren geopenden vorm, naar hare karakteristieke hoedanigheid; vgl. 2:3; 3:4 e.a. Hier wordt dus beloofd een geheel nieuw of vernieuwd bestaan, dat in een eigene, nieuwe heerlijkheid uitschittert, maar waarvan toch het innerlijke wezen, en persoonlijke karakter, het geheim is van den bezitter of drager zelf.” Dr S. Greydanus, De Openbaring des Heeren aan Johannes.

Amsterdam, 1925, blz. 76, 77.