Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 08-01-2020

Kerkgebouw

betekenis & definitie

Een gebouw, waarin de leden van een Christelijke kerk geregeld vergaderen tot het houden van hun godsdienstoefeningen.

De aard en de inrichting van een kerkgebouw hangen samen met de eischen, die de eeredienst van de kerkgemeenschap, waaraan het is gewijd, stelt. Zoo zullen de bouw en de inrichting van een Roomsche kerk geheel anders zijn dan die van een Protestantsche kerk. En aan de vele Hervormde kerkgebouwen in ons land, die vóór de Reformatie aan de Roomschen toebehoorden, kan men zien hoe slecht deze voor de Gereformeerde godsdienstoefeningen geschikt zijn. Toen men in de XVIIe eeuw hier te lande genoodzaakt was nieuwe kerken voor den Gereformeerden eeredienst te bouwen, heeft het moeite gekost zich los te maken van het stelsel der Roomsche kerkgebouwen, waaraan men gewoon was, en een nieuw systeem uit te denken, dat paste voor den Gereformeerden eeredienst.

In een Roomsche kerk is alles berekend op liturgie en symboliek. Het gebouw zelf heeft den grondvorm van een Latijnsch kruis; de kerkas loopt Oost-West; het schip stelt voor de strijdende, het priesterkoor de triumfeerende kerk. In het koor moet plaats zijn voor het altaar, dat het middelpunt van den eeredienst is; biechtstoelen, sacristieën en doopkapellen mogen niet ontbreken; deze en zoovele andere bestanddeelen behooren tot het wezen van het Roomsche kerkgebouw.

In de kerken der Hervorming is van dit alles geen sprake. Deze zijn niet anders dan vergaderzalen voor de geloovigen, waarin de predicatie, die het hoofdbestanddeel van den eeredienst uitmaakt, tot haar volle recht moet komen; de kansel moet het uitgangspunt van de ruimteontwikkeling zijn, en deze moet zóó geplaatst worden en de banken moeten zóó gerangschikt zijn, dat de toehoorders een onbelemmerd gezicht op den predikant hebben, zonder dat zware pijlers of kolommen hen daarin hinderen. Een centraal gebouw met tot grondvorm een Grieksch kruis, een cirkel of een regelmatigen veelhoek geeft hier de beste oplossing.

De eerste Christenen konden zich de weelde van eigen kerkgebouwen niet veroorloven; zij vergaderden ten huize van vermogende gemeenteleden, daarna in de burgerlijke gebouwen, die als basilieken bekend staan, en toen zij er toe konden overgaan eigen bedehuizen te stichten namen zij den vorm en zelfs den naam van de Romeinsche basilika over.

In den loop der eeuwen heeft de kerkenbouw zich op wonderbare wijze ontwikkeld, en zoowel op technisch als op aesthetisch gebied heeft de bóuwkunst hier haar hoogste triomfen gevierd. Prachtige kerkgebouwen kwamen tot stand in onnoemelijk groot aantal en de afmetingen, die zij aannamen, waren soms reusachtig. Het grootst is de St. Pieterskerk te Rome, die een oppervlakte heeft van 21.100 vierkante meter, en welker grootste afmeting 209 meter is. De Dom te Keulen heeft een oppervlakte van 6228 vierkante meter en een lengte van 135 meter. De St.

Janskerk te ’s Hertogenbosch heeft een grootte van 4743 vierkante meter en is 105 meter lang; de St. Bavo te Haarlem heeft een oppervlakte van 3812 vierkante meter en een lengte van ongeveer 108 meter. De St. Janskerk te Gouda is, wat haar lengte-afmeting betreft, de grootste kerk van Nederland.

De oudste nog bestaande kerk in ons land is de St. Servaeskerk te Maastricht, als ten minste waar is wat door sommigen beweerd wordt, dat het oudste gedeelte van dat gebouw nog een overblijfsel is van de in de Vle eeuw door bisschop Monulphus gestichte kerk.