Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 08-01-2020

Kerkelijke goederen

betekenis & definitie

In onderscheiding van de geestelijke goederen, die niet in engeren zin voor het onderhoud der kerken, maar in ruimeren zin voor geestelijke doeleinden bijv. het onderhoud van kloosters, het lezen der zielmissen, de bezoldiging der vicarissen, die de mis voor de ziel van den schenker moesten bedienen, geschonken waren (zie artikel: Geestelijke goederen), verstaan wij onder kerkelijke goederen al die schenkingen, welke rechtstreeks voor de kerken d. i. voor het onderhoud van den pastoor, den koster, de pastorie en het kerkgebouw bestemd waren. Daaronder vallen de pastorie-goederen voor het onderhoud van den pastoor; de kosterie-goederen voor de bezoldiging van den koster; de kapelanie-goederen voor de helpers van den pastoor; de bisschoppelijke tafelgoederen voor het onderhoud van den bisschop; de kapittel-goederen voor het college van geestelijken, aan een kathedraal-kerk verbonden, enz.

Al deze kerkelijke goederen, zooals kerkgebouwen, pastorieën, kosterswoningen, landerijen, schenkingen aan kerken, sieradiën in de kerken enz., welke rechtstreeks tot onderhoud der kerken en kerkedienaren geschonken waren, hadden met de reformatie van de Roomsche kerken op de Gereformeerde moeten overgaan, omdat de oorspronkelijke eigenares bleef bestaan en alleen maar van haar dwalingen gezuiverd werd. Immers de Gereformeerde kerken waren geen nieuwe kerken, maar de voortzetting van de door allerlei dwalingen gedeformeerde, doch nu gereformeerde kerken.

De kerkelijke goederen werden door de reformatie geen bona vacantia of heerlooze goederen, welke geen eigenaar meer hadden, zoodat de staat ze maar annexeeren (zich toeëigenen) moest, maar bleven rechtens aan de kerken, aan welke ze geschonken waren.Hoewel ze aanstonds aan de Gereformeerde kerken hadden moeten toekomen, nam de overheid echter deze kerkelijke goederen in beheer, niet om ze als haar eigendom te beschouwen, maar om te zorgen, dat ze niet in Roomsche handen bleven of door vijandige beheerders vervreemd werden. Die toewijzing van de eigenlijke kerkegoederen aan de Gereformeerden, had op verschillende wijze plaats. In sommige provinciën als Friesland, Groningen en Drente, kwamen en bleven deze goederen onder het beheer der plaatselijke kerken, die daaruit de predikantstraktementen betaalden. Maar in andere provinciën stelde de overheid deze goederen wel in één massa onder zoogenaamde „geestelijke kantoren”, om meer eenheid in het beheer aan te brengen en ze beter tot haar bestemming te doen komen. Enkele van die „geestelijke kantoren”, zooals het Borculosche, het Doetinchemsche en het Zutfensche geestelijke Renteambt, zijn bekend. In Zeeland werd zelfs een „Extra-Ordinairrentmeesterschap” gesticht; en in Utrecht was het kantoor der „Gebeneficiëerde goederen”. Het belangrijkste was het Geestelijk kantoor te Delft, in 1577 opgericht.

Nu waren deze kerkelijke goederen niet overal voldoende voor de traktementen en zoo kwamen de kerken er toe aan de overheid te vragen om geheel voor de traktementen te willen zorgen. Zij deden dit echter niet omdat zij leerden, dat de overheid van Godswege daartoe geroepen was. Evenmin omdat zij meenden, dat het onderhoud der dienaren uit de belastingen der onderdanen, of uit de staatskas moest genomen worden. Maar zij vroegen het op dezen grond, dat de overheid èn op de kerkelijke èn op de geestelijke goederen de hand had gelegd en zich als voedsterheer der kerk beschouwde. De eigenlijke kerkelijke goederen werden meestal wel voor het onderhoud der kerken bestemd, maar goederen, die verlaten of veroverd waren, zooals geestelijke stichtingen, kloostergoederen, edelgesteenten, goud en zilver, werden ten deele wel geconfisqueerd (verbeurd verklaard) en geseculariseerd (een wereldlijke bestemming gegeven), bijv. om de zware oorlogskosten te dekken. Onberekenbare schatten zijn er op deze wijze in de schatkist gekomen.

Op grond nu van deze beheersrechten, welke de overheid aan zich had getrokken, vroegen de kerken van haar dan ook geheel voor de traktementen harer dienaren te zorgen. De overheid mocht deze goederen wel beheeren, maar de inkomsten moesten aan de Gereformeerde kerken ten goede komen.

Tijdens de Fransche omwenteling echter in 1798 besloot de Nationale vergadering den band met de Gereformeerde kerken te verbreken, het betalen der traktementen te staken en voortaan geen enkele kerk te bevoorrechten. Op zich zelf genomen zou dit geen onrecht geweest zijn, want de kerken moeten zelf voor haar dienaren en haar gebouwen zorgen. Maar wel was het onrecht al die vroegere kerkelijke en geestelijke goederen tot nationaal eigendom te verklaren en nu voor onderwijs en armenzorg te bestemmen. Toen heeft de overheid roof aan de kerken gepleegd, en zoo drukt er een schuld op haar jegens de kerken. Want wel is er verschil over de vraag, of deze goederen rechtens aan de Roomsche kerk als geheel gedacht, of aan de plaatselijke gemeenten elk afzonderlijk, of aan afzonderlijke lichamen of stichtingen, zooals de kosterie-goederen aan de kosterij, de pastoriegoederen aan de pastorie, toekwamen. Maar welke van deze theorieën ook de juiste mag zijn, deze goederen behoorden dan toch in ruimeren zin aan de kerk.

Ook bij de laatste opvatting, die door de school van Prof. Rengers Hora Siccama verdedigd is, waren al die kerkfabrieken als pastorieën, kosterieën, vicarieën toch onderdeelen der plaatselijke kerk en zonder haar niet denkbaar.

Daaruit volgt dan ook, dat de overheid de uitbetaling dezer traktementen, zonder daarvoor schadevergoeding te geven niet zoo maar mocht staken. Immers er drukte een schuld op haar jegens de kerken. Het gaat hier niet alleen over de geestelijke en kerkelijke goederen, die tijdens de Republiek in de geestelijke kantoren zijn samengebracht, in 1789 tot nationaal eigendom zijn verklaard en in 1808 in de schatkist zijn gestort, want dat was volgens een zekere opgave maar een bedrag van 5½ millioen en gaf maar een rente van 147.000 gulden ’sjaars, terwijl nu jaarlijks ongeveer 1¼ millioen aan traktementen wordt uitbetaald. Maar het gaat hier over die enorme bezittingen, die in de 16e eeuw verkocht zijn en ten deele voor oorlogsdoeleinden gebruikt zijn. Daaruit blijkt genoegzaam, dat de betaling der traktementen geen gunst, maar plicht was, en dan ook terecht in de grondwet vastgelegd is. Het zou dus roof aan de kerken zijn en onrechtvaardig deze uitbetaling zoo maar, zonder vergoeding te staken.

Tevens volgt daaruit, dat de Gereformeerde kerken en haar wettige erfgenamen recht op deze kerkelijke goederen hebben. Dit rust op de grondwet van 1814, want deze sprak van „de Christelijke Hervormde kerk” d. i. de aloude Gereformeerde kerken. Aan haar had de staat de kerkegoederen onttrokken, aan haar moesten zij ook weer worden uitbetaald. Het kerkgenootschap der Nederlandsch Hervormde kerk is dus niet de eerste rechthebbende, al dient het zich gaarne als zoodanig aan. Vooreerst toch bestond het toen nog niet. Het dankt zijn ontstaan eerst aan het koninklijk besluit van 1816.

De grondwet van 1814, die van „de Christelijk Hervormde kerk” en de grondwet van 1815, die van „gezindheden” spreekt, bedoelden de destijds bestaande Gereformeerde kerken, en niet het eerst in 1816 ontstane genootschap. Wel komt het ons voor, dat ook de Gereformeerde kerken, voor zoover zij nog in het Genootschap zijn, er recht op hebben, maar niet het Genootschap als zoodanig. En voorts omdat ook de Hooge Raad van 7 Mei 1848 en ook Prof. Buys, de uitnemende kenner van ons staatsrecht, uitdrukkelijk hebben verklaard, dat de traktementen niet moesten uitgekeerd worden aan het Genootschap als geheel, maar aan de plaatselijke kerken of predikanten. Op de vraag, wat er uitgekeerd moet worden, ligt het antwoord in de Grondwet, art. 171 nl. de traktementen, pensioenen en andere inkomsten. De traktementen voor de predikanten, de pensioenen voor de emeriti en de andere inkomsten waarschijnlijk voor de „meerdere vergaderingen”.

Maar tot welk een bedrag ? Er is drieërlei antwoord: alleen de oude pastorieën kosterie-goederen, of bovendien ook de geestelijke- of kloostergoederen, die alleen een geestelijke bestemming hadden, of een kapitaal berekend naar de traktementen, die volgens de Grondwet van 1815 werden uitgekeerd. Ook de Gereformeerde kerken zouden bij die vereffening en uitdeeling haar rechten mogen laten gelden. Sommigen, zooals Jhr. Beelaerts van Blokland, hebben dit ontkend, omdat de Gereformeerde kerken zelf uitspreken van geen subsidie te willen weten. Maar daarover gaat het hier niet. Subsidie weigeren de Gereformeerde kerken met beslistheid, omdat de Schrift uitdrukkelijk zegt, dat de kerken zelf voor haar dienaren moeten zorgen.

Paulus verklaart in 1 Cor. 9 : 14: „Alzoo heeft ook de Heere verordineerd dengenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven”. Vooral nu in onze dagen de revolutie zoo veld wint, is het leunen op den staatsarm dubbel gevaarlijk. Wanneer onder invloed der socialisten en communisten hier en daar reeds de subsidies der kerken werden ingetrokken, staan de kerken op eens verlegen en dreigen zij onder te gaan, terwijl de predikanten gebrek lijden. Maar daaruit volgt niet, dat de Gereformeerde kerken haar oude historische rechten moeten prijsgeven. Zij zouden het haar toekomend bedrag heel goed voor eigen hulpbehoevende kerken, en ook voor de zending en evangelisatie kunnen gebruiken.