Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 08-01-2020

Kantteekeningen

betekenis & definitie

noemt men de opmerkingen, aanteekeningen, die aan den rand van eenig geschrift worden aangebracht. Reeds in de handschriften uit de oudheid vinden we kantteekeningen, die soms een verbetering van wat in den tekst staat te lezen geven, soms een kortere of langere verklaring inhouden.

Vooral kortere kantteekeningen kwamen vaak in den tekst zelf terecht, doordat een latere afschrijver meende, dat de aanteekening aan den rand iets bevatte, dat was overgeslagen.Van kantteekeningen sprekend, denken we thans in de eerste plaats aan zulke, die in Bijbeluitgaven voorkomen. Bepalen we ons nu tot de Nederlandsche Bijbels, dan moet gezegd, dat in de Middeleeuwen vaak allerlei opmerkingen in den tekst zelf werden ingelascht (glossen). Na de hervorming zien we duidelijk het streven om den Bijbeltekst zelf onveranderd te laten en in verband daarmede komen de kantteekeningen aan den rand. Reeds in de eerste Nederlandsche Bijbelvertaling na de Hervorming verschenen, het Evangelie van Mattheüs vertaald door Joh. Pelt, uitgegeven bij Doen Pieterzoon te Amsterdam in 1522 vinden we kantteekeningen en wel heel merkwaardige, die een beslist reformatorisch karakter dragen. De kantteekeningen komen in deze uitgave in klein formaat na den tekst.

De meest belangrijke Bijbeluitgave uit het begin der 16e eeuw was die van Jacob van Liesveldt te Antwerpen. In den eersten druk van den volledigen Bijbel (1526) komen geen kantteekeningen voor. In latere uitgaven neemt Liesveldt ze op, m.n. in den laatsten door hem gegeven druk, dien van 1542. Vooral de kantteekening op Coloss. 1 : 2 is beroemd geworden (Genade, dat is vergeving der zonden door Christus, vrede, dat is die in ons is, te weten dat wij zeker gelooven door Christus zalig te zijn). Min of meer berucht geworden zijn de kantteekeningen uit den z.g. Deuxaesbijbel, die voor het eerst in 1562 bij Gillis van der Erven te Embden uitkwam en tallooze malen is herdrukt.

De Bijbel draagt zijn naam naar de kantteekening op Neh. 3 : 5 (De armen moeten het kruis dragen, de rijken geven niets, deux aes heeft niet, six cinque geeft niet, quater drij, die helpen vrij. Beteekenis: de armen hebben niet, de rijken geven niet, de middenstand moet het doen). Deze en verschillende andere wonderlijke kantteekeningen zijn ontleend aan Bugenhagen. Ze gaven veel aanstoot en zijn dan ook in latere uitgaven verkort of weggelaten. Overigens bevatte de Deuxaesbijbel ook verschillende kantteekeningen van geheel anderen aard (korte inhoudsopgaven, overeenkomstige plaatsen, andere vertalingen, tekstkritische aanteekeningen). Beroemd en geliefd zijn onder ons volk nog altijd de kantteekeningen op onze Statenvertaling.

De Synode van Dordrecht heeft in haar achtste zitting de regels vastgesteld, aan welke de kantteekeningen zouden moeten voldoen. Moest ter wille van het Nederlandsch taaleigen een Hebreeuwsche of Grieksche uitdrukking wat vrijer worden vertaald, dan diende de meer letterlijke overzetting in de kantteekening te worden opgenomen. Dan konden eenige korte verklaringen worden gegeven zonder dat daarbij echter de ontwikkeling van eenig leerstuk werd geboden. Eindelijk moesten de gelijkluidende plaatsen worden aangeteekend. Men kan zeggen, dat de Statenvertalers en de Overzieners zich aan dit programma over het algemeen getrouw hebben gehouden. Misschien gingen ze iets verder, toen ze bij het Nieuwe Testament, gelijk dat reeds in de bestaande vertaling geschied was, ook hier en daar tekstkritische aanteekeningen gaven.

Voor de uitlegging hebben de Statenvertalers gebruik gemaakt van het beste, dat hun ten dienste stond m.n. de commentaren van Calvijn en Beza. De kantteekeningen op het Oude Testament zijn dadelijk bij het vertalen (waarvoor men elk boek in drie deelen had verdeeld) zelf door de vertalers geschreven. Wat het Nieuwe betreft, gaf Walaeus de kantteekeningen op Hand. 9—15, 22—28, op de brieven aan de Romeinen, de Corinthiërs, de Efeziërs, de Colossenzen, de Thessalonicenzen, den eersten aan Timotheüs, de Hebreën, den eersten van Petrus en op de Openbaring. Hommius die op het overige deel van Handelingen en de overige brieven, terwijl hij voor al de parallelle plaatsen zorgde. Aan die laatste is zoowel door vertalers als revisoren veel zorg besteed. Men kan zeggen, dat de kantteekeningen op de Statenvertaling een kostelijk stuk werk bieden en voor ons volk van groote beteekenis zijn geweest.

Dat er later uitgaven van de Statenvertaling zijn gekomen met andere kantteekeningen en dat er verschillende andere vertalingen met kantteekeningen verschenen zijn (die van Vissering; de Leidsche; de Synodale van het Nieuwe Testament 1868; de Evangeliën en de Handelingen van Vos; de Roomsche uitgave van Beelen enz. enz.) mag als bekend worden ondersteld. Draagt reeds de vertaling van den Bijbel een eenigermate subjectief karakter, uit den aard der zaak geldt dit pas recht van de kantteekeningen. Ze geven een bepaalde uitlegging. Vooral in de aanteekeningen uit den laatsten tijd komt dan ook het verschillend theologisch standpunt duidelijk uit. Het Nederlandsch Bijbelgenootschap heeft in verband daarmede in zijn wet staan, dat het geen Bijbels met kantteekeningen mag uitgeven. Een moeilijk te beantwoorden vraag is altijd, wat kantteekeningen moeten bevatten, hoe ze moeten zijn ingericht.

Gelijkluidende plaatsen komen in de eerste plaats in aanmerking, doch reeds daarbij komt de vraag, zal men zaak- of woordparallellen opnemen. Korte verklaringen van archaeologischen aard, omtrent de waarde van munten, de ligging van plaatsen komen ook spoedig in aanmerking, maar ook hier treedt vaak allerlei verschil van meening aan den dag. Nog sterker openbaart zich dat natuurlijk bij eigenlijke verklaringen van den inhoud. Ook over de plaats der kantteekeningen bestaat verschil van meening. Oudtijds stonden ze, gelijk de naam aanduidt, aan den rand. In den tegenwoordigen tijd worden wel andere systemen gevolgd.

Zoo zijn Korte Verklaring der Heilige Schrift met nieuwe vertaling (uitgave J. H. Kok te Kampen) en Tekst en Uitleg (uitgave J. B. Wolters te Groningen’s Hage) feitelijk vertalingen met kantteekeningen. De eerste serie heeft ze telkens na een pericoop, de tweede drukt eerst den tekst in zijn geheel af en geeft daarna den uitleg.