Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 08-01-2020

Job

betekenis & definitie

I. Job is de hoofdpersoon van het naar hem genoemde boek.

In de meening dat de naam van Hebreeuwschen oorsprong is, wordt deze gaarne verklaard als „de vijandige” of „de aangevallene” of (in verband met een Arabisch werkwoord) „de vrome”. Maar Job wordt nergens Israëliet genoemd.

Hij woont in het land Uz, dus in de steppen ten Oosten van Gilead. Hij wordt in Ez. 14 : 14,20 naast Noach en Daniël genoemd als een der rechtvaardigen; uit welken tijd, blijkt niet.

Gewoonlijk wordt hij voor een tijdgenoot der patriarchen gehouden. De gronden, waarop dit geschiedt, komen mij zeer twijfelachtig voor.Hij wordt geteekend als „volmaakt en rechtvaardig, en godvreezend en wijkend van het kwade” (1 : 1) met een rijk gezegend en godvruchtig familieleven (1 : 2—5). Wijl de Satan bewijzen wil, dat Job in dezen niet belangeloos is, overstelpen hem een reeks rampen: zijn talrijke kudden worden hem ontnomen, zijn kinderen zelfs komen om. Maar Jobs geloof blijft ongeschokt. Zelfs looft hij nog zijn God (,1 :21). Nu wordt hij in zijn eigen lichaam aangetast, waarschijnlijk door den meest verschrikkelijken vorm van melaatschheid, de lepra tuberculosa, die afschuwelijke lichaamspijnen veroorzaakt, ongeneeslijk is en soms 20 jaren duren kan. Ondanks de verzoeking van de zijde zijner vrouw laat Job God ten volle in zijn recht om goed of kwaad te zenden en wil beide aannemen (2:10).

Eerst het bezoek zijner vrienden, die een week lang zelfs geen woord van vertroosting voor hem over hebben, brengt Job buiten zichzelf. Slechts ééne gedachte beheerscht hem: ik wou, dat ik dood was (hoofdstuk 3). Toch vloekt hij ook nu zijn God niet. Een lange worsteling met de vrienden volgt, waarin dezen steeds duidelijker de gedachte uitspreken, dat lijden schuld bewijst, terwijl Job vaak heftig zijn onschuld staande houdt. Ondanks het vele spreken echter blijft het probleem duister voor beide partijen. Eerst Elihu’s woord brengt eenig licht, wanneer deze het lijden beziet in het licht van het plaatsvervangend lijden van een middelaar (33:23—25).

Daarna treedt de Heere zelf op, die, na op den voorgrond gesteld te hebben, dat de Schepper en onderhouder van al wat is niet gehouden is verantwoording te doen van zijn daden (hoofdstuk 38 v.), er op wijst, dat men, alvorens in Gods plaats de wereld te kunnen regeeren, beginnen moet met alle schepselen van het heelal in bedwang te houden (40 v.). Job heeft God voor zijn volmaaktheid en rechtvaardigheid te danken, maar mag daarmede God de wet niet stellen.

Als Job zich hierop verootmoedigt, bereid zich door God te laten onderrichten en tot boetedoening (42 : 1—6), heeft Satan het pleit verloren, wijl Job door alles heen aan zijn God heeft vastgehouden en de zonde belijdt, waartoe de beproeving en vooral zijn vrienden hem gebracht hebben. Nu komt de belooning. Naar des Heeren getuigenis heeft Job met betrekking tot Hem „naar waarheid” gesproken (42 : 7). Hij wordt gerechtvaardigd tegenover zijn vrienden. Zijn lijden wordt van hem weggenomen, zijn vroegere rijkdom hem hergeven. Zijn familie omringt hem weer en overlaadt hem met geschenken.

De levende have ontvangt hij dubbel terug. Ook de kinderen worden hem hergeven. Zoo leeft Job nog 140 jaar en ziet kinderen in vier geslachten, totdat hij sterft „oud en der dagen zat” (42 :17).

De vraag, hoeveel hiervan historische waarheid is, werd vroeger bijna zonder uitzondering in dezen zin beantwoord, dat alles beschouwd werd als werkelijk gebeurd, zelfs het gesprek tusschen God en Satan. Eerst langzamerhand heeft de gedachte de overhand gekregen, dat we hier te doen hebben met het werk van een groot dichter. Slechts wordt nog deze vraag verschillend beantwoord, of de dichter de levensgeschiedenis van een historisch persoon aan zijn werk heeft ten grondslag gelegd of niet. Mij komt dit laatste onwaarschijnlijk voor: 1° geheel vrije scheppingen zonder eenig historisch aanknoopingspunt zijn aan de oudheid geheel vreemd; 2U eerst wanneer Jobs persoon bij den lezer bekend was, kon de schildering van zijn strijd levendig belang inboezemen; 3° de keuze van het land Uz als plaats van het gebeuren laat zich slechts verklaren bij afhankelijkheid van een wel omschreven historische overlevering; 4° in Ezech. 14:14, 20 wordt door den profeet ook bij zijn lezers kennis ondersteld van de historische realiteit van Job.

Het laat zich echter niet meer vaststellen welke trekken door den dichter aan de overlevering zijn ontleend. De historische stof is zoozeer samengeweven met het product van het dichterlijk vermogen, dat het nu ondoenlijk is ze weer uiteen te rafelen. Slechts kan het waarschijnlijk worden geacht, dat niet alleen Jobs rampspoed en melaatschheid maar ook het bezoek der vrienden en zijn hervonden geluk tot de traditioneele stof behoort, welke de dichter heeft verwerkt. Dan is de historische stof samengevat in de prozastukken (hoofdstuk 1 en 2, 42 : 7—17) en zijn de poëtische gedeelten vrucht van den door den Heiligen Geest gewekten drang om in verband met het historisch gegeven het lijdensprobleem, dat zoovele vromen onder Israël benauwde, nader te belichten en, zoover dit onder Israël mogelijk was, tot oplossing te brengen.

II. Het boek Job is voortgekomen uit den kring der „wijzen”, die in Israël hebben nagedacht over de levens- en wereldbeschouwing, aan Israël in de godsopenbaring voorgelegd, en over de levenstaak, daarin aan het volk voorgehouden. Trachtend de Gods gedachten in haar gang en noodzakelijke vrucht denkend te volgen, hebben ze langs dezen weg licht en klaarheid gezocht en gevonden.

Het boek bestaat uit drie deelen, waarvan het eerste (hoofdstuk 1 en 2) en het derde (42 : 7—17) slechts zeer klein zijn. Deze onevenredigheid in de lengte der stukken is echter niet in overeenstemming met de belangrijkheid en het aantal der daarin verhaalde gebeurtenissen. De twee kleinste stukken houden meer gebeurtenissen in dan het grootste (3 : 1—42 : 6). Ze geven de eigenlijke geschiedenis van Job en zijn dan ook in proza. Hoofdstuk 1 en 2 (de proloog) brengen ons in kennis met de levensomstandigheden van Job en met de wijze, waarop hij aanvankelijk reageert op de zoo plotseling over hem komende rampen. Hier treft ons een zekere climax.

Eerst wordt 1 : 22 zonder de minste beperking van Job gezegd, dat hij niet zondigde; vervolgens wordt 2 : 10 gezegd, dat hij met zijn lippen niet zondigde, en dus ruimte gelaten voor een zondigen met het hart, waarna dan in het eigenlijke gedicht (3 : 1—42 : 6) wordt gehoord hoe Job ook met zijn lippen zondigt. Het derde gedeelte van het boek (de epiloog) vangt aan 42 : 7, waar wederom in proza wordt meegedeeld hoe de Heere, nu Satan het pleit verloren heeft, Job met zegeningen overlaadt.

Het eigenlijke gedicht vertoont een zeer regelmatigen bouw. De reden vallen in drie groepen uiteen: a. 3 : 1—31 : 40 de reden van Job en zijn drie vrienden; b. 32 : 1—37 : 24 de reden van Elihu; c. 38 : 1—42 : 6 de reden des Heeren en de verootmoediging van Job. De eerste groep is zelf ook weer regelmatig gebouwd. Nadat Job in hoofdstuk 3 zijn klacht heeft aangeheven, volgen drie reeksen gesprekken, waarbij telkens ieder der drie vrienden het woord neemt en door Job beantwoord wordt. Dit blijkt uit het volgende schema:

I a Elifaz hoofdstuk 4 en 3 II a Elifaz hoofdstuk 15 Job hoofdstuk 6 en 7 Job hoofdstuk 16 en 17 b Bildad hoofdstuk 8 b Bildad hoofdstuk 18 Job hoofdstuk 9 en 10 Job hoofdstuk 19 c Zofar hoofdstuk 11 c Zofar hoofdstuk 20 Job hoofdstuk 12—14 Job hoofdstuk 21