Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 08-01-2020

Gemeenschap van goederen

betekenis & definitie

(Hand. 2 : 44—45 en 4 : 32—35). Wij lezen in deze teksten van een buitengewone inwerking van het geloofsleven der eerste Christenen op hun maatschappelijk samenleven.

Een sterke invloed van het geestelijk leven der pasgestichte kerk op haar stoffelijk bestaan. Een zekere gemeenschap van goederen als vrucht van een innige gemeenschap der liefde.

In Hand. 2 : 44 staat eerst: En allen, die geloofden waren bijeen. Blijkbaar niet in één plaats of zaal, want daarvoor was het getal reeds te groot, maar geestelijk en daarom ook bij groepen gedurig in onderlinge samenkomsten bijeen, zooals men het zich in dien eersten tijd van hooggestemd geestelijk leven denken kan.

Het geloof dat hen aan Christus snoerde, bond hen ook onderling samen. En dan volgt in 2 : 44 als tweede: en zij hadden alle dingen gemeen, d. i. zij bezaten en zij beschouwden practisch alle dingen, n.l. hun goederen en have (vs. 45), d. i. hun onroerende en roerende goederen, als gemeengoed; niet in den zin van gemeenschappelijk bezit of eigendom, maar van gemeenschappelijk gebruik.

Ook in Hand. 4 : 32 staat de geestelijke gemeenschap voorop: En de menigte van degenen, die geloofden was één hart en ééne ziel d. i. in denken, gevoelen en willen eensgezind; en daarop volgt weer de krachtige invloed van die geestelijke eensgezindheid op hun maatschappelijk samenleven, eerst negatief: en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had zijn eigen ware, d. i. hij had en behield wel iets als het zijne, maar hij beschouwde het niet als het zijne; en daarna positief: maar alle dingen waren hun gemeen; niet in dien zin, dat alle privaat bezit of eigendom werd afgeschaft en aan de gemeenschap kwam, maar zóó, dat zij hun particulier bezit ten dienste en ten gebruike van allen stelden. En als gevolg van en bewijs voor die buitengewone Geesteswerking in die eerste gemeente volgt dan in 4 : 34: Want er was ook niemand onder hen, die gebrek had, d. w. z. de arme werd niet rijk gemaakt, maar van zijn nooddruft voorzien; terwijl als reden daarvoor volgt: want zoovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij en brachten den prijs der verkochte goederen en legden dien aan de voeten der apostelen.

Zóó sterk was de genade over hen allen (vs. 33), dat de bezitters hun landen of huizen verkochten en den prijs der verkochte goederen ter beschikking der apostelen stelden; en zoo werd (vs. 35) onder leiding der apostelen aan een iegelijk, n.l. die gebrek had, uitgedeeld naardat elk van noode had, dus naar ieders nood of behoefte, terwijl dezen zich voor de bezorging der gaven aan de huizen waarschijnlijk van de hulp der jongeren bedienden (zie Hand. 5 : 5, 6, 10).Kunnen de communisten zich met recht op deze teksten beroepen om hun stelsel van afschaffing van privaat en invoering van gemeenschappelijk bezit te verdedigen ? Was het hier een gemeenschap van goederen in communistischen zin ? Zoo toch is meermalen beweerd. Evenwel geheel ten onrechte. De godsdienstige secten in vorige eeuwen, die communistisch gezind waren, hebben toch nooit een gemeenschappelijk bezit van alles door allen, dus van de geheele wereld, maar alleen voor den kleinen kring der kerk zoeken te verwerkelijken. In de groote wereld en bij de massa der menschen zou het een ijdel pogen zijn. Daar leefde men immers van uit het beginsel der zelfzucht. Maar in de kerk en bij de Christenen moest dat toch anders zijn.

Daar moest de liefde den toon aangeven. Er is dan ook in velerlei opzicht tusschen de gemeenschap van goederen in de Jeruzalemsche gemeente en die van het communisme een principieel verschil op te merken:

1°. De gemeenschap van goederen in Hand. 2 en 4 bestond slechts in dien kleinen kring der Jeruzalemsche gemeente alleen. Zij was de vrucht van de buitengewone werking des Heiligen Geestes na het Pinksterfeest. Spontane uiting van den gloed der eerste liefde in dien kleinen kring der Christenen. Een soort paradijstoestand op deze zondige aarde. Alleen in die gemeente te Jeruzalem en dan nog slechts voor korten tijd. Volstrekt niet met de bedoeling om het in alle kerken of ook in het algemeen in heel de menschheid in te voeren. Het communisme van thans daarentegen beoogt een wereldstelsel. Het is niet tevreden alleen Rusland met zijn stelsel te zegenen, het wil ook de andere landen van Europa, ja heel de wereld voor het communisme winnen. Overal en onder alle volken moet het stelsel van het privaat bezit door dat van het gemeenschappelijk bezit worden vervangen.
2°. De gemeenschap van goederen te Jeruzalem berustte op erkenning van het privaat bezit. Zij was daar een geheel vrije, onverplichte daad, een triumf der Christelijke liefde, een uiting van mededeelzame barmhartigheid, niet op afschaffing, maar op handhaving van den particulieren eigendom rustend. Dit blijkt reeds uit het geheele verhaal, want het bedoelt ongetwijfeld de eensgezindheid, de Christelijke liefde, en het betoon van barmhartigheid der eerste Christenen te teekenen; maar vooral uit het woord van Petrus tot Ananias: „Waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt en onttrekken van den prijs des lands? Zoo het gebleven ware, bleef het niet uwe ? en verkocht zijnde was het niet in uwe macht? Wat is het, dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen ? Gij hebt den menschen niet gelogen, maar Gode.” Petrus wilde zeggen: Was het niet, voordat het verkocht was, uw eigendom ? en zelfs ook nadat het verkocht was, hadt gij toen over den prijs nog niet de volle beschikking? Het was dus een geheel vrije onverplichte daad, waardoor Ananias en Saffira zich zochten te onderscheiden. Het recht van privaat bezit bleef ten volle gehandhaafd. Het communisme daarentegen berust op afschaffing van privaat bezit. En het tracht dat doel te bereiken door middel van den klassenstrijd, d. w. z. door den klassenstrijd moet het komen tot het opheffen van alle standenverschil; en door het opheffen van het standenverschil tot afschaffing van allen privaten eigendom. Het verschil tusschen rijk en arm d. i. tusschen een bezittende- en niet-bezittende klasse, of tusschen kapitaal en arbeid moet wegvallen.
3°. De gemeenschap van goederen te Jeruzalem was alleen maar een gemeenschappelijk gebruik der goederen, dus geen gemeenschappelijk bezit van productie- of voortbrengings-, maar alleen van gebruiksmiddelen. Alleen sommigen verkochten hun goederen en have, niet allen; en zij deden dat volkomen vrijwillig, zonder er toe verplicht te zijn. De woorden in Hand. 2:45: „En zij verkochten hunne have”; en in Hand. 4 : 34: „want zoovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij” enz. bedoelen niet, dat alle, maar slechts dat sommige bezitters het deden; en evenmin dat dit een verplichte, maar slechts een vrijwillige daad was; want in Hand. 4 : 36, 37 wordt het voorbeeld van Joses, als een bijzonderheid vermeld; en in Hand. 5 : 1—10 zochten Ananias en Saffira zich er door te onderscheiden. Het communisme daarentegen beoogt inderdaad afschaffing van privaat en invoering van algemeen bezit. Want — Proudhon leerde het reeds — „eigendom is diefstal”. Alle bezit behoort aan de gemeenschap te komen en alle verschil tusschen rijk en arm moet uit de samenleving verdwijnen. Alles voor allen moet de leuze zijn. En
4°. de gemeenschap van goederen te Jeruzalem is uiting van liefde en daad van barmhartigheid. Haar doel was geenszins het invoeren van een goederen-gemeenschap, want het geld, dat door den verkoop der goederen opgebracht werd, werd niet evenredig onder de leden der gemeente verdeeld, maar uitsluitend aangewend tot ondersteuning der behoeftigen, naardat elk van noode had (Hand. 2:45; 4: 35; 6:1—11). Niemand maakte aanspraak op het goed van een ander. Het privaatbezit werd gehandhaafd, maar werd geheiligd door de liefde. De harten der bezitters werden zoo bewogen, dat zij het gebrek der nooddruftigen vervulden.

Het communisme daarentegen berust op dwang, geweld en revolutie. Het privaatbezit moet wederrechtelijk, en dus met geweld worden afgeschaft, en de gemeenschap van goederen met dwang worden ingevoerd. Zij is geen vrucht van liefde, die zich geeft, maar een daad van revolutie, die het goed des naasten neemt. Om het doe! te bereiken moet het met onrecht beginnen en met dwang zich handhaven. Op zulk een zedelijk onhechten bodem kan nooit een vast maatschappelijk gebouw worden opgetrokken. Zoo is dan de gemeenschap van goederen in de Jeruzalemsche gemeente èn in oorsprong èn in wezen èn in bedoeling iets geheel anders dan het stelsel van algemeen bezit der communisten.

Ze bestond alleen in de gemeente te Jeruzalem en daar nog slechts voor korten tijd. Ze bedoelde volstrekt geen stelsel te zijn, dat in heel de kerk van Christus moest ingevoerd worden. En zij kon niet verhinderen dat enkele jaren later in diezelfde Jeruzalemsche gemeente een algemeene verarming intrad, zoodat Paulus in de kerken van Macedonië en Achaje en Galatië (Rom. 15 : 25, 26; 1 Cor. 16 : 1 v.v.; 2 Cor. 8 : 1 v.v.) voor haar en voor de andere arme kerken in Judea een collecte liet houden.