Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 08-01-2020

Geestelijk

betekenis & definitie

is een woord, dat vele malen in het Nieuwe Testament voorkomt, en gebruikt wordt van personen en zaken. De geloovigen worden zoo genoemd (1 Cor. 3:1; Gal 6:1; vgl. 1 Cor. 14 : 37) omdat zij uit den Heiligen Geest zijn geboren, en door dien Geest worden geleid (joh. 3:5; Rom. 8 : 14).

In 1 Cor2:14, 15 spreekt de apostel van den geestelijken mensch in tegenstelling tot den natuurlijken mensch. De natuurlijke, of, zooals er eigenlijk staat, de psychische, de ziellijke mensch is de mensch, beschouwd als levend, bezield wezen; de mensch, wel toegerust met verstand en rede, maar verstoken van den Geest Gods; daarom begrijpt hij niet, beter: aanvaardt hij niet de dingen, die des Geestes Gods zijn.

De geestelijke mensch echter, de mensch, die den Heiligen Geest ontving, en door dien Geest wordt geleid en geleerd, onderscheidt alle dingen, d. i. naar het goddelijk licht, hem geschonken, weet hij alle dingen op hun juiste waarde te schatten. Voor geestelijke (goederen) (Rom. 15 : 27), het geestelijke (1 Cor. 9 : 11), geestelijke (gaven) (1 Cor. 12 : 1 ; 14 : 1) wordt in het Grieksch hetzelfde woord gebruikt als in 1 Cor. 2:13 door geestelijke dingen is overgezet; het verband moet uitwijzen, welke de speciale beteekenis is, waarin het voorkomt; in ’t algemeen zijn de geestelijke dingen, of ook het geestelijke (enkelvoud) Rom. 1 : 11 (Statenvertaling: geestelijke gaven) die dingen, welke hun oorsprong vinden in den Heiligen Geest, en door Hem worden gewerkt of medegedeeld.

Met geestelijke zegening (Ef. 1 : 3), wordt aangeduid de aard der zegening, waarmee God Zijne gemeente gezegend heeft, in tegenstelling met de weldaden, die slechts waarde hebben voor het aardsche en tijdelijke leven, en die alle menschen ontvangen; de geestelijke zegening is die, welke de diepste behoeften van ons hart bevredigt en ons terugbrengt tot onze oorspronkelijke bestemming, wijl ze in ons het geestelijk leven, het leven uit den Geest Gods, doet ontluiken en ons maakt tot geestelijke menschen. In 1 Cor. 3 : 3, 4 wordt het manna, dat God in de woestijn uit den hemel deed regenen geestelijke spijze, en het water, dat Hij uit de rots deed stroomen geestelijke drank genoemd, niet als aanwijzing der hoedanigheid van beide — want beide, manna en water, waren van stoffelijken aard, en hadden ten doel, de Israëlieten naar het lichaam te spijzigen en te drenken; voor de ware geloovigen echter ging de beteekenis ervan hierin niet op; voor hen waren manna en water een geestelijke spijze en drank, wijl, als wonderteeken van Gods trouw en macht, geschikt en gegeven, om hun geloof en gehoorzaamheid, hun leven uit den Geest, te voeden en te onderhouden.

Zegt de apostel, dat de Israëlieten dronken uit de geestelijke steenrots, en dat die steenrots Christus was, dan heeft hij niet het oog op den rotssteen der woestijn, maar wil te kennen geven, dat Christus zelf de leidsman des volks was, die in al hunne nooden voorzag; door uit die geestelijke steenrots te drinken, d. i. door het geloof in, en de gemeenschap met den beloofden Messias, die in hun midden tegenwoordig was, werd hun het manna tot een geestelijke spijze, het water tot een geestelijken drank.In tegenstelling met het natuurlijke lichaam, het lichaam van den mensch vóór den dood, wordt (1 Cor. 15 : 44) het opstandingslichaam een geestelijk lichaam geheeten. Geestelijk heeft hier niet de beteekenis van onstoffelijk, evenmin als natuurlijk die van stoffelijk of vleeschelijk. Met natuurlijk wordt nooit iets stoffelijks aangeduid (vgl. wat boven gezegd is over den natuurlijken mensch), dus ook niet de substantie van een lichaam. Een natuurlijk (psychisch) lichaam is een lichaam, dat vanuit het beginsel van het aardsche leven (psyche) wordt beheerscht, een lichaam naar de gelijkenis van Adam, het beeld des aardschen menschen (vs. 49). Een geestelijk lichaam is niet een lichaam, dat uit geest bestaat, maar een stoffelijk lichaam, gelijkvormig aan het heerlijk lichaam van onzen Heere Jezus Christus (vs. 49; Fil. 3 : 21), wiens lichaam „vleesch en beenen” had (Luc. 24 : 39), en wiens lichamelijke opstanding in 1 Cor. 15 zoo duidelijk geleerd wordt. Het opstandingslichaam wordt als geestelijk gekenschetst, om aan te duiden, welke levenswet er in heerschen zal; het zal ten volle en uitsluitend aan den Geest onderworpen zijn en met den Geest vereenigd zijn; „versierd met geestelijke hoedanigheden, en bewogen door den Geest Gods, de ziel met het licht des Geestes vervuld zijnde” (Kantt.).

De gemeente wordt (1 Petr. 2 : 5) een geestelijk huis genoemd, een huis, als tegenbeeld van den tempel; een geestelijk huis, in onderscheiding van het ceremonieele en nationale van Israëls volkseenheid, waarin God woont met Zijn Geest en genade.

In de verbinding: geestelijk verstand (inzicht) wijst geestelijk het karakter aan van het verstand, als gewerkt door den Heiligen Geest.

Geestelijke liederen (Ef. 5 : 19; Col. 3 : 16) zijn niet liederen, rechtstreeks door den Heiligen Geest geïnspireerd, maar liederen, tot het geestelijk terrein behoorende, van geestelijken inhoud en strekking, waarin bezongen wordt wat God door Zijn Geest werkt.

Van geestelijke boosheden in de lucht wordt gesproken Ef. 6 : 12. In ’t Grieksch staat: geestelijke dingen der boosheid in de hemelsche gewesten. De vertaling is niet onjuist; men vergelijke 2 : 2, waar satan de overste van de macht der lucht heet. De apostel denkt aan de booze geesten, die vanuit den hemel — niet de hemel, waar Christus troont, maar de luchthemel — de aarde beheerschen.