Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 29-12-2019

2019-12-29

Doof

betekenis & definitie

Onder doofheid verstaat men het geheel of gedeeltelijk onvermogen om geluidgevende luchttrillingen door den gehoorzin waar te nemen. Vergeleken bij vele dieren is het gehoorvermogen van alle menschen beperkt, daar de dieren geluiden kunnen opvangen, die den scherpst hoorenden mensch geheel ontgaan.

We spreken echter alleen van doofheid als het normaal gehoorvermogen bij den mensch, hetzij verzwakt, hetzij geheel vernietigd is. Dit laatste komt zeer weinig voor en is ongeneeslijk.

De graad van geneeslijkheid der gedeeltelijke doofheid hangt af van de oorzaken waaruit deze ontstaan is en die zeer onderscheiden kunnen zijn, zelfs haar zetel in de hersenen kunnen hebben. Doofheid is een zwaar kruis en zelfs hardhoorendheid werkt belemmerend bij de uitoefening van beroep of ambt, en is in de samenleving een bron van vele verdrietelijkheden.

De Christen weet dat alle dingen ons uit de hand Gods toekomen. Wie heeft den doove gemaakt? (Ex. 4 : 11).

Hij zal ook dit gebrek in het geloof zoeken te dragen, God biddende om kracht naar kruis.Hij strijde er tegen zich vereenzaamd te gevoelen, trekke zich niet uit de samenleving terug, zij niet achterdochtig ten opzichte van gesprekken die hij bijwoont, maar niet verstaat, trachte door een blijmoedigen geest en een opgewekt gelaat anderen aan te trekken, stelle zich ook niet met zijn gebrek steeds op den voorgrond, want beklag van menschen baat niet, zoeke veel de gemeenschap met God als die met de menschen wordt verstoord en hope op den staat der heerlijkheid waarin de doove zal hooren. Ook late hij zich in het leven niet op zij zetten, maar zoeke zich te handhaven met gepaste vrijmoedigheid, opdat er met hem gerekend worde.

Onze tijd biedt velerlei hulpmiddelen voor den slechthoorende, allerlei apparaten en gehoorbuizen, kerktelefoon, enz. bij het gebruik waarvan men op teleurstellingen voorbereid zij. Tegenwoordig staat ook de weg van organisatie open in den bond van slechthoorenden, ofschoon vereeniging met wie uit een gansch ander beginsel als het onze leven, en met Gods voorzienigheid niet rekenen, altijd zijn groote bezwaren meebrengt. Toch werpen de tentoonstellingen voor hardhoorenden, het kenteeken der slechthoorenden en dergelijke dingen zeker nut af tot verzachting van het lijden. Doormiddel van een organisatie kan men soms met gelijkgezinden in aanraking komen en elkander steunen en troosten.

De Heilige Schrift spreekt over doofheid als lichamelijk gebrek betrekkelijk weinig. Het vloeken van den doove was bij de Mozaïsche wet verboden (Lev. 19:14); wie zulks deed, verried gebrek aan vreeze Gods (idem).

Onder de wonderen van Christus behoorde ook het genezen van dooven (Matth. 11 : 5; Luc. 7 : 22; Marc. 7 : 32—37), waarin zelfs mee het teeken van zijn Messiasschap uitkwam (Jes. 29 : 18).

Meestal komt het woord doofheid in de Heilige Schrift in geestelijke beteekenis voor, als beeld van den mensch die de waarheid niet verstaat. Alleen wedergeboorte kan het oor ontsluiten om de heilstem des Heeren te beluisteren, want alleen wie ooren heeft die hoort wat de Geest tot de gemeente zegt (Openb. 2:7 enz.), vgl. 1 Sam. 10 : 27; Jes. 35 : 5; 42 : 18, 19).

In beeldspraak wordt het woord doof soms aangevoerd in het gebed tegenover den Heere, wanneer deze zijn oor niet schijnt te neigen tot het geroep zijner kinderen en zij bidden: „Houd u niet als doof van mij af” (Ps. 28 : 1), „o God, houd u niet als doof” (Ps. 83 : 2).