Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 29-12-2019

David

betekenis & definitie

Na Mozes neemt onder Israëls groote mannen niemand zulk een centrale plaats in als David, die in waarheid was wat zijn naam uitdrukt: de beminde (Gods). Als voortzetter van Samuëls reformatorischen arbeid heeft hij Israël van een los samenhangend stammencomplex gemaakt tot een krachtig volk, dat zich niet alleen van vreemde inmenging bevrijden, maar ook de omwonende stammen dwingen kon zijn meerderheid te erkennen.

Door zijn militair en politiek genie heeft hij Israël gemaakt tot een staat van de eerste grootte, de evenknie van het Egypte en Assyrië dier dagen. Bovenal heeft hij in samenwerking met profetische zoowel als priesterlijke kringen door voorbeeld en invloed aan een krachtiger ontplooiing van Israëls religieuse leven medegewerkt dan het sinds Jozua’s dagen had gekend.

In hem is het ideaal van een theocratisch koning het zuiverst gerealiseerd. Hij is dus ook de maatstaf geworden voor allen, die na hem over Israël hebben geregeerd, en het zijn „als David” is de hoogste lof, die door de Bijbelschrijvers aan een koning kan worden toegezwaaid.

Geen wonder dat, wanneer later Ezechiël van een nieuwe geestelijke en staatkundige verheffing van zijn volk spreekt, een „David” weer op den troon gezien wordt (Ezech. 34 : 24; 37 : 25).Uit het beeld, dat in Samuël van dezen groote wordt geteekend, dringen zich als vanzelf meerdere trekken naar voren, die door de hoofdstukken, aan hem in 1 Kronieken gewijd, waar meer zijn arbeid voor het cultisch-religieuse leven des volks in het middelpunt staat, nieuwe belichting krijgen, en eindelijk door de van hem in het psalmboek opgenomen geestelijke zangen nog meer worden verdiept.

David is geboren in een tijd, die in hetteeken staat van de religieus-nationale verheffing des volks. Het door Samuëls onvermoeiden arbeid gestrooide zaad schoot welig op en versterkte in breeden kring het bewustzijn, dat Israël èn in religieus èn in nationaal opzicht — beide hangen hier onverbrekelijk samen — tot iets groots geroepen was. Door Samuël waren de geestelijke goederen weer in ’t centrum van ’t volksleven geplaatst, en Sauls overwinningen en Jonathans heldendaden hadden het nationale gevoel en de blijde zekerheid van des Heeren volk te zijn ontvlamd. Beide stroomingen vloeien ineen in David, die de kracht van zijn genie en de diepte van zijn zieleleven in dienst heeft gesteld van de verheffing zijns volks en de eer van zijn God. Zijn levensdaden worden beheerscht door nationaal zelfbewustzijn en innig Godsbetrouwen.

Gesproten uit de eenvoudige (1 Sam. 18 : 18) herdersfamilie van Isaï, wiens geslacht sinds lang (Ruth 4 : 18—22) in de kleine Judeesche stamafdeeling Bethlehem (Micha 5 : 1) woonde, groeide David als de jongste van een achttal (1 Sam. 16 : 10; 17 : 12; zevental volgens 1 Kron. 2 : 13—15) zonen op. Van groote lichaamskracht getuigde zijnfrissche, roodkleurige gelaatstint (dat het 1 Sam. 16 : 12 gebruikte woord niet ziet op de kleur van zijn haar bewijst 19:13: een netwerk van [zwart] geitenhaar moet Davids haar nabootsen, vgl. ook Hoogl. 5 : 10; de gewone gelaatskleur is matbruin); van buitengewone begaafdheid spraken zijn schitterende oogen. Als schaapherder staalde hij zijn jeugdig lichaam; in den strijd met wilde dieren (17 : 34— 36) zijn moed en rustig Godsbetrouwen; in de eenzaamheid van het veld oefende hij zijn muzikale gaven, waardoor hij zich in breeden kring naam maakte (16 : 18). Op grond van zijn zielsbeweeg (16 : 7) wordt hij door Samuël, in wien door goddelijke leiding de zekerheid geboren werd, dat deze jongeling als koning van het aardsche godsrijk naar het door God zelf gestelde doel met volkomen overgave en hartelijke trouw zou streven, tot een niet nader omschreven taak gezalfd (16:13). Sinds dien wordt des Heeren Geest vaardig over David, die niet zoozeer door zijn muzikaal talent (16 : 21—23; 18 : 10; 19 : 9) als wel door zijn krachtig geloofsleven, dat hem in staat stelt tot een kampstrijd, waarvoor Israëls erkende krijgers terugdeinzen (17 : 11), ondanks zijn jeugd een plaats der eere gaat innemen onder Israëls groote mannen. Als met één slag is hij der grootsten een geworden, toegejubeld door Israëls vrouwen (18 : 6 v.) en na nieuwe krijgsdaden geacht door het volk (18 : 30); in nauwen vriendschapsband vereenigd met den algemeen beminden (14:45) jonathan (18 : 1—4); door Saul ondanks zijn argwanende ijverzucht, welke hem in David den toekomstigen belager van zijn sinds Samuëls woord (13 : 14; 15 : 26) voor zijn subjectief bewustzijn wankelen troon deed zien (18 : 8) en hem David naar het leven deed staan (18 :10 v.; 19 : 9 v.), als schoonzoon aanvaard, zij het ook na vele aarzelingen (18 : 19) en als ondanks zichzelf (18 : 21—29).

Maar weldra wordt hij van deze hoogte neergestort en langen tijd — een vijftal jaren ? — moet hij ontbering en vervolging, heimelijke lagen en openlijke verachting dragen. Sauls klimmende jaloezie en achterdocht, die de laatste jaren reeds vergiftigd hadden, dwingen hem, ondanks Jonathans steun (19 : 1—7; 20) eerst tot Samuël in Rama (19 : 18—24) en dan over Nob (21 : 1—9), welk bezoek de bijna volkomen uitroeiing der Elidische priesterschap ten gevolge had (22 : 6—23) naar de Filistijnsche koningsstad Gath te vluchten (21 : 10 v.v.). Maar zich ook hier niet veilig achtend, verbergt hij zich in de spelonk van Adullam, een ontoegankelijk rotsnest bij de Filistijnsche grens ten Noord-Oosten van het latere Bët-Dsjibrln. Hier voegen zich bij hem meerdere zijner verwanten, met name drie neven Joab, Abisaï en Asahel, van wie de eerste twee zulk een groote plaats in zijn leven zullen innemen, en voorts 400 man, die niets meer te verliezen hadden en nu hun lot aan dat van David verbinden. Voor zijn ouders zoekt hij een schuilplaats bij de verwante Moabieten (22 : 1—4) en begint dan zijn omzwervingen in de streek ten Zuiden van Hebron, bekend onder den naam „woestijn van Juda”, welke met haar talrijke holen, spleten en rotspunten een uitstekend terrein biedt voor rondzwervende benden en waar hij tevens den band met zijn stamgenooten kan aanhouden.

Daarmede opent zich dan de beslissende periode van zijn leven. Nu zullen zijn geloof in en zijn vertrouwen op zijn God in den vuurgloed der vervolging hun levenskracht hebben te bewijzen en moet het duidelijk worden, of David die gaven van hoofd en hart bezit, welke voor een koning van het volk des Heeren noodig zijn. Bovendien moet hij hier zijn volk leeren kennen in zijn deugden en gebreken, in zijn levensrichting en neigingen, in zijn behoeften en nooden. Zijn rechtsbesef moet worden versterkt; zijn natuurlijk medegevoel voor den naaste moet tot steunende bereidwilligheid worden veredeld; zijn zelfbeheersching moet worden geoefend; in één woord, al die zijden van zijn karakter moeten worden ontwikkeld, die alleen een Oostersch vorst in staat kunnen stellen weerstand te bieden aan de gevaren van een van alle zijden bewierookt despotisme. Daarbij treft het ons, dat David, hoezeer zich bewust door zijn God tot iets groots te zijn geroepen, niet zelf den weg daartoe wil openen en zich niet van „gunstige gelegenheden” bedient. Hij weigert tegen den van God gezalfden koning de hand op te heffen en tracht veelmeer door vriendelijke overreding Saul van zijn vervolging af te brengen (24 : 7 v.v.; 26 : 7 v.v.).

Dat dit geen politiek was, bewijst zijn uit het hart gewelde doodsklacht over Saul en het lot, dat hij diens beweerden moordenaar bereidt (2 Sam. 1). Voorts treft ons het geduld, waarmede hij deze vervolging verdraagt. Van een wraaknemen over het herhaalde verraad der Zifieten (23 : 19 v.v.; 26 : 1) hooren we niets. Alleen tegenover Nabals ondank laat hij zich tot harde woorden verleiden (25 : 21 v.), maar straks dankt hij den Heere, dat Abigaïls woord hem van bloedstorting heeft teruggehouden (25 : 32 v.v.). En eindelijk treft het ons, hoe David’s oor steeds geopend is voor profetische raadgevingen (22 : 5) en hoe hij vóór het nemen eener beslissing des Heeren wil tracht te leeren kennen (23 : 2 v.v.; 10 v.v.).

De donkerste bladzijde van deze periode is Davids overgang naar Achis van Gath, als wiens vazal hij in Ziklag ten Zuid-Oosten van Gaza wonen gaat. Ten gevolge van dezen in een oogenblik van religieuse inzinking gedanen stap komt hij tusschen twee vuren. Eenerzijds zijn verplichting tegenover zijn leenheer en anderzijds zijn begeeren om tot geen prijs verrader van zijn eigen volk te worden. Gevolg hiervan is een dubbelhartig spel. Achis brengt hij in den waan, dat zijn van Ziklag uit ondernomen rooftochten tegen Juda en zijn stamverwanten zijn gericht. Hij wil hem doen gelooven, dat hij alle banden met het verleden heeft doorgesneden.

In werkelijkheid echter bestrijdt hij de Amalekieten en andere in het Zuiderland rondzwervende stammen, van wie de Judeërs zooveel last hadden. Gevolg hiervan is, dat hij gedwongen is op meedoogenlooze wijze allen, zelfs vrouwen en kinderen om het leven te brengen. Hoezeer dit spel hem gelukte, bewijst het feit, dat Achis hem de bescherming van zijn eigen persoon toevertrouwt, wanneer de Filistijnen den beslissenden slag tegen Saul gaan beproeven en de vlakte van Jizreël binnenrukken (28 : 1—4). Maar juist daardoor wordt Davids toestand wanhopig. Nu moet hij óf tegen zijn eigen volksgenooten — de slagorden des levenden Gods 1 (17 : 26) — strijden in de gelederen der „onbesneden Filistijnen” óf zijn eed van trouw tegenover zijn leenheer breken. Maar het — zeker gerechtvaardigde — wantrouwen der overige vorsten bespaart hem de keuze.

Zij dwingen Achis David en zijn bende terug te zenden (29). Maar Ziklag vindt hij geplunderd en verbrand. Zijn eigen gruweldaden worden aan hem en de zijnen bezocht! Nu raakt Davids eigen leven in gevaar, wanneer zijn mannen hem niet ten onrechte het droeve lot der hunnen verwijten. Maar „David sterkt zich in den Heere, zijn God”. Straks overvalt en vernietigt hij zijn vijand en keert met rijken buit terug, waarvan een deel dienen moet om de bevriende oudsten van juda aan David en de zijnen te herinneren (30).

Sauls tragisch einde op Gilboa is het begin van Davids opkomst. Dankbaarheid en eigenbelang dringen de Judeërs aan den naar Hebron, den hoofdzetel der door zijn huwelijk met Abigaïl verwante Kalebieten, teruggekeerden David, die blijkens 1 Kron. 12 steeds meer steun had gevonden bij verschillende kringen uit de andere stammen, het koningschap over Juda aan te bieden (2 Sam. 2 : 1—4). Maar met zulk een stamvorstendom kan David zich niet tevreden stellen. Dit bewijst zijn boodschap aan de Jabesieten, die een verzoek tot aansluiting inhoudt (2 : 4—7). Ook tracht hij door het sluiten van huwelijken zijn relaties te vermeerderen en zijn aanzien te vergrooten (3 : 2—5).

In Hebron ziet hij zich voor een allermoeilijkst vraagstuk gesteld: zijn verhouding tot Isbóset, wien Abner een Overiordaansch rijkje had gesticht (2 : 8—11). David draagt er zorg voor hem niet aan te vailen. Dat met tweeledig doel: hij wil het odium van den broederkrijg niet op zich laden en daardoor mogelijke sympathieën van de Noordelijke stammen verspelen, en ook wil hij door een gewapend optreden den argwaan der Filistijnen niet wekken. Maar weldra gaat Abner tot den aanval over. Hij wordt echter bij Gibeon verslagen en heeft het alleen aan Benjamins steun en Joabs toegevendheid te danken, dat hij naar Mahanaïm kan ontkomen (2:12—32). Sindsdien woedt de burgerkrijg, waarbij het voordeel aan Davids zijde is (3:1).

Oneenigheid tusschen Abner en Isboset doet het overige. Abner wil met David onderhandelen. Maar deze weigert door Abner tot erfgenaam van Saul verklaard te worden. Michal moet weer in zijn huis terugkeeren. Dan kan David als haar gemaal op Sauls erfenis aanspraak maken (3:13). Eerst nu knoopt hij onderhandelingen met Abner aan, die echter door Joab wordt vermoord (3 : 27).

Daarmede zinkt Isbósets rijkje ineen en straks wordt ook Isbóset vermoord, maar nog in zijn dood door David gewroken (4). Maar zelfs nu steekt David de hand niet uit naar Israëls koningskroon. Eerst wanneer officieele deputaties (vgl. de lijst in 1 Kron. 12 : 23 v.v.) hem die op eigen initiatief aanbieden, zet David die op rond van een plechtig verdrag op zijn hoofd 5 : 1—3).

Als koning van het vereenigde rijk stond David voor een geweldige taak. Allereerst moest de oppermacht der Filistijnen in Westjordaanland worden gebroken en Israëls meerderheid over de omwonende stammen in het licht worden gesteld. Voorts moesten de stammen, die sinds Jozua’s dood slechts in zeer los verband tot elkander hadden gestaan en dikwijls zich om elkanders lot weinig of in het geheel niet hadden bekommerd, tot eenheid worden samengesmeed. En eindelijk moest het religieus-cultische leven, dat in den wirwar der tijden ernstig gedaald was, tot nieuwe kracht worden herboren en door grondige hervorming het uiteengevallen priesterschap weer zijn door God gewilde plaats in het volksleven gaan innemen.

Daartoe moest vóór alle dingen aan het nieuwe rijk een hoofdstad worden gegeven, die geen oude gevoelens wakker riep. Welke stad was daarvoor meer geschikt dan Jeruzalem, gelegen aan de groote karavaanwegen van Noord naar Zuid en van Oost naar West, vlak tusschen het stamgebied van Benjamin en Juda en van nature een der sterkste punten des lands. Haar aan de Jebusieten ontrukt te hebben en daardoor iedere hinderpaal voor het vrije samenleven van Juda met de Noordelijke stammen, uit den weg geruimd te hebben, is Davids geniaalste greep geweest. Te meer nu hij de Jebusburcht tot zijn koningszetel maakte, waar staks de Feniciërs hem een paleis bouwden en zijn trouwe garde Krëthi en Plëthi zijn gezag de noodige kracht bijzetten (5:6 v.v.). Dat de Filistijnen dit zonder meer zouden laten gaan, zal David zelf niet hebben verwacht. Ze verzamelen zich in het Refaïetendal ten Zuid-Westen van Jeruzalem, maar worden met Gods hulp verslagen, waarbij zelfs hunne góden den overwinnaar in handen vallen, zoodat de smaad van den ongelukkigen slag bij Afek (1 Sam. 4:11) kan worden uitgewischt.

Voorts moest aan Israël duidelijk worden gemaakt, dat David zijn koningsmacht in dienst des Heeren stelde en Samuëls arbeid wilde voortzetten. Vandaar dat hij kort na de bezetting van Jeruzalem, omringd door de vertegenwoordigers van alle stammen, de sinds Samuëls dagen in Kirjath-Je&rim of Baalat-Juda vertoevende ark des Heeren, de mysterieuse troonzetel van Israëls God, in feestelijke processie naar den Sion bracht, waar een haar passende woning werd opgericht (1 Sam. 6) en onder leiding van Abjathar (1 Kon. 2 : 35) een regelmatige dienst werd ingesteld (1 Kron. 16 : 37). Daarin kwam tot uitdrukking, dat Israëls koning geen anderen God mocht en wilde hebben dan den Heere der heirscharen, die Israël verlost en tot zijn gemeente had gemaakt. En als David daarbij in het gewaad van een gewonen tempeldienaar vreugdebedrijvend zijn volk voorging, maakte hij het daardoor aan allen duidelijk, dat ook Israëls koning tegenover den Heere niets meer wilde zijn dan een zijner geringste dienaren (2 Sam. 6 : 14, 21 v.).

Intusschen moest op deze herstelling van de ark in haar centrale plaats voor Israëls religieus-cultisch leven noodzakelijk een andere, veel minder diep ingrijpende maatregel volgen. Doordat de oude tabernakel na den ongelukkigen slag bij Afek en de verwoesting van Silo (vgl. Jer. 7 : 12) door de Kanaanieten, die hier als bondgenooten der Filistijnen hadden gestreden {vgl. 1 Sam. 7 : 14) naar Gibeon was gebracht (vgl. 1 Kron. 21 : 29 v.) en Gibeons hoogte na de uitroeiing der Eliden van Nob onder Saul en Isboset den rang had gekregen van een koninklijk en nationaal heiligdom, waar Zadoks familie het priesterambt uitoefende (1 Kron. 12: 28; 16 :39), moest beider verhouding worden geregeld. Voorloopig stelde de koning zich er mede tevreden den offerdienst te Gibeon onder de regelen der Mozaïsche wet te stellen en den muzikalen dienst, gelijk deze in het arkheiligdom onder leiding van Asaf was ingesteld (1 Kron. 16 :5), ook voor het tabernakelheiligdom te Gibeon te verordenen en dezen aan Héman en Jedüthun toe te vertrouwen (1 Kron. 16 : 39v.v.). Maar in een latere periode werd de meerderheid van den Sion boven Gibeon ten duidelijkste in het licht gesteld, waarbij tevens aan de ontwrichting van den Levietenstam een einde werd gemaakt. Uitgaande van de twee Aaronitische hoofdlijnen, Ithamar en Eleazar, werden de priesters der verschillende locale heiligdommen ten behoeve van den dienst op den Sion in 2 X 12 familiegroepen ingedeeld, waarbij het twaalftal Eleazargroepen onder Zadok van Gibeon en het twaalftal Ithamargroepen onder den op den Sion fungeerenden Achimelech, den zoon van Abjathar, werden gesteld, terwijl Abjathar aan het hoofd der 24 groepen werd geplaatst.

Zoo doende konden de twee hoofdgroepen gedurende ieder van de twaalf maanden van ieder jaar in Jeruzalem dienst doen. Voor ’t overige konden ze in hun oude woonplaatsen blijven wonen en dienst in hun oude heiligdommen blijven waarnemen. Slechts waren ze naar vastgestelde orde gehouden op geregelde tijden onder leiding van den hoogepriester in het nationale heiligdom op den Sion dienst te doen (1 Kron. 24). Op dezelfde wijze werden de tempelzangers en -muzikanten ingedeeld (1 Kron. 25), waarna verder de Levietenstand werd georganiseerd, waarbij deze niet alleen dienst had te doen in de technische afdeeling der heiligdommen (1 Kron. 26:20—28), maar ook bij verschillende takken van het staatswezen werk had te verrichten (1 Kron. 26 : 29-32). Zoo werd er voor gezorgd, dat Israël zich van zijn eenheid als gemeente des Heeren bewust werd en in het heiligdom op den Sion het nationale heiligdom leerde zien, waarbij het aan den tijd werd overgelaten de andere heiligdommen op den achtergrond te dringen. Tot dit laatste werkte trouwens ook mede, dat de opperste instantie in de rechtspraak van de heiligdommen naar den bij het centrale heiligdom wonenden koning werd overgebracht (2 Sam. 8 : 15; 15 : 1-6).

Naarmate echter het koningschap zich consolideerde, Israël een plaats der eere ging innemen in het midden der volken en dus de door Deut. 12 :10 v. bedoelde tijd scheen aangebroken, kwam in Davids hart de wensch op het tijdelijke karakter van het heiligdom op den Sion te beëindigen en de tent door een Israëls Koning waardig gebouw te vervangen. Ook Nathan achtte den gunstigen tijd daarvoor aangebroken. Maar straks komt het woord des Heeren Davids schoone plannen verijdelen (2 Sam. 7). Allereerst wordt de gedachte afgesneden, als zou de Heere behoefte hebben aan zulk een tempel (vs. 6 v.). Daarna wordt Davids oog er voor geopend, dat een nog heerlijker ontplooiing van den goddelijken zegen voor hem is weggelegd dan in zijn roeping tot en bevestiging in het koningschap was gezien. De Heere gaat voor David een huis maken.

En nu moet eerst de Heere zijn plan met David hebben volvoerd, voor aan de uitvoering van Davids plan kan worden gedacht. Een zaad wordt hem beloofd, dat drager zijn zal van het theocratisch koningschap. Dat dit zaad zich met Davids huis dekt, wordt niet gezegd. We vinden het onder zijn nakomelingen. Door dit zaad, waarvan een lid uitvoering zal geven aan Davids plan, zal het koningschap aan Davids huis verbonden blijven. Het zal daarom onvergankelijk zijn.

Daarbij zal de verhouding tusschen dit zaad en den Heere die zijn van zoon tot vader, en op grond van deze verhouding zal de genade Gods onveranderd aan dit zaad verbonden blijven (vs. 8—16). Deze openbaring heeft op David een machtigen indruk gemaakt. Dit blijkt uit zijn dankzegging (vs. 18—29), dieniet alleen spreekt van kinderlijke ootmoed over de in het verleden ontvangen zegeningen (vs. 18), maar ook van blijde verbazing over de nog grootere weldaden, die nu zijn aangekondigd (vs. 19). David kan aan zijn dankbaarheid geen uiting geven (vs. 20), maar geeft toch blijk van diep inzicht in den bovennatuurlijken grond van deze genadebewijzen (vs. 21), waarom hij uitbreekt in lof en dank aan zijn God (vs. 22—24). Slechts één wensch heeft hij nog: des Heeren woord worde daad, opdat des Heeren Naam groot worde in eeuwigheid, de Heere als God in Israël openbaar en Davids huis bevestigd worde (vs. 25—29). Dat dit Godswoord een centrale plaats in Davids denken heeft ingenomen, bewijzen zijn „laatste woorden” (2 Sam. 23:1—7), die in vorm aan Bileams orakelspreuken herinneren en profetisch van inhoud zijn.

David gevoelt sterker dan ooit welk een afstand er bestaat tusschen de werkelijkheid van zijn leven en het ideaal van den door God gezalfden koning, en nu tracht hij den indruk onder woorden te brengen, dien des Heeren woord (vs. 3a) op hem heeft gemaakt. Hij kan echter geen beeld teekenen, maar alleen enkele trekken geven, die hem ’t meest in ’t oog springen. Hij ziet een, die rechtvaardig is en godvreezend en als het morgenlicht bij wolkeloozen hemel (vs. 3c, 4). En ofschoon zijn huis daarvan nu ver verwijderd is, heeft de Heere toch een eeuwig verbond met hem aangegaan, dat al zijn lust en heil is (vs. 5).

Werd Israël zoo wat zijn religieus-cultisch leven aangaat door David weer op den te kwader ure verlaten lijn teruggevoerd en zoo althans een aanvang gemaakt met een leven naar Gods wet, met niet minder zegen heeft David gearbeid aan het tweede gedeelte van zijn levenstaak: de politieke verheffing van Israël. Daartoe was in de allereerste plaats noodig dat de Filistijnen, die sinds Simsons üdagen naar de suzereiniteit over Westjordaanland hadden gestaan, gedwongen werden Israëls meerderheid te erkennen. Een breed verhaal van dezen strijd vinden we in Samuël niet. Wel vinden we 2 Sam. 21 :15—22 en 23 : 8—23 eenige heldendaden, die vermoedelijk in de latere gevechten zijn verricht, maar voor het overige moeten we ons tevreden stellen met de samenvatting in 2 Sam. 8:1: „en David versloeg de Filistijnen en onderwierp hen en nam Meteg-ha’amme uit der Filistijnen hand”. Wat dit Meteg-ha’amme beteekent, weten we niet. De par. pl. 1 Kron. 18 : 1 biedt „Gath en haar dochtersteden”.

De gewone verklaring: „de teugel van de moederstad” d. i. het gezag der hoofdstad, nl. Gath, is zonder grond. Misschien wordt daarmede bedoeld: „de handelsweg van het kustland” = het ass. metig ammati. Dan is David er dus in geslaagd hen uit de vlakte van Jizreël en uit de kuststreek ten Noorden van Ekron te verdrijven, waardoor ze voor hun handel van Israël afhankelijk werden. Met dit succes schijnt David zich te hebben tevreden gesteld, wat blijk geeft van politieken blik. Want beter dan hen door onderdrukkingsoorlogen tot onverzoenlijke vijanden te maken, was het hen in hun handelsvrijheid te knotten. Daardoor bleef de gelegenheid open om voor hun beroemde krijgers een plaats te maken in Israëls leger (vgl. 2 Sam. 15 : 18 v. en den naam van Davids lijfwacht: Krëthi en Plëthi).

Met den koning van Tyrus stond David op goeden voet. Daardoor werd niet alleen aan Israël de gelegenheid geboden van den wereldhandel der Feniciërs te genieten, maar tevens kregen de Noordelijke stammen een kapitaalkrachtig afvoergebied voor de producten van hun landbouw en veeteelt.

Daarmede was David dus in zijn rug gedekt, wanneer hij zich genoodzaakt mocht zien tegen de steeds roerige stammen aan Palestina’s Oostzijde front te maken. Vooral aan deze zijde was strijd te verwachten, want het lag voor de hand, niet alleen dat David de overjordaansche stammen weer bij Israël zou willen voegen, maar ook dat Israëls Oostelijke buren in een machtig koninkrijk een gevaar voor hun eigen onafhankelijkheid zouden zien. Hoe het hier in bijzonderheden gegaan is, weten we niet. Waarschijnlijk is eerst de strijd met de Moabieten ontbrand, die met hun volkomen onderwerping eindigde. Met voor onze begrippen ontzettende gestrengheid werden ze behandeld: twee derden der krijgsgevangenen werden gedood. We mogen echter niet vergeten, dat het destijds veel gewoner was alle krijgsgevangenen te dooden dan een derde te sparen.

De strijd met Ammon ontbrandde ten gevolge van de smadelijke behandeling, die Davids boden van de zijde van den Ammonitischen koning Hanun werd aangedaan (2 Sam. 10 :1—5). Gesteund door de Arameërs van ’t Noordelijk gedeelte van Oostjordaanland begint Ammon den strijd. Maar eerst verslaat Joab hen bij Rabbath-Ammon, Hanun’s hoofdstad (10:6—14) en een jaar daarna verslaat David zelf hen bij het niet nader te localiseeren maar in ieder geval in het overjordaansche gelegen Hëlam (10:15—19). Gevolg van dezen tweeden slag is, dat de Arameërs de Ammonieten in den steek laten, wier hoofdstad het volgend jaar in Davids handen valt (12 : 26—31). De Ammonieten zette hij aan ’t werk in de steengroeven en op de steenbakkerijen ; ze moesten dus slavendiensten verrichten (zoo naar verbeterden tekst). Een jaar later rekent David af met Hadad-ezer, die de Ammonieten zoo krachtdadig had gesteund en een poging had gedaan om zijn invloed aan den Eufraat te herwinnen.

David slaat hem in zijn eigen gebied en overwint ook Damascus, dat den stamverwanten Arameeschen koning had trachten te helpen (8 : 3—8). Wijl daardoor Davids invloed in het Libanondal in hooge mate gestegen is, acht de koning van Hamath den tijd aangebroken onder het geven van groote geschenken „naar Davids welstand te vragen”, daarmede zijn meerderheid te erkennen (8 : 9 v). Maar terwijl David in het hooge Noorden den strijd met de Arameërs tot een goed einde brengt, maken de Edomieten van de gunstige gelegenheid gebruik om in het van strijdbare mannen ontbloote Zuidpalestina te vallen. Vandaar dat Abisaï naar het Zuiden gaat (1 Kron. 18 : 12; Ps. 60 : 2) om hen terug te slaan. Eerst in het volgend jaar echter kon Joab hen volkomen onderwerpen (2 Sam. 8 : 14a; 1 Kon. 11 : 15). Daarmede Viel ook de voor het aanknoopen van handelsbetrekkingen zoo gewichtige toegang tot de havens der Roode Zee Israël in handen.

Groot waren voor Israëls volksleven de gevolgen van deze oorlogen. Allereerst werd het nationale zelfbewustzijn des volks daardoor geprikkeld. Het was weder een eere lid te zijn van des Heeren volk, dat in zoo korte spanne tijds de lotsbeheerscher geworden was van de omwonende volkeren. Voorts werd door de vrijmaking van het handelsverkeer en door de rijkdommen, die als oorlogsbuit, tribuut en vrijwillig geschenk het land binnenstroomden, de sociale en economische kracht des volks in hooge mate versterkt. De staatsfinanciën werden nu voor het eerst georganiseerd, waarvan de koninklijke domeinen een belangrijk deel uitmaakten (1 Kron. 27 : 25 v.v.) en een tempelschat kon worden gecreëerd voor den straks te bouwen tempel (1 Kron. 28 : 1 v.v.). In de derde plaats verversterkte de vorming van het nationale leger het bewustzijn van de gemeenschappelijke verplichtingen.

De kern daarvan bestond uit het vreemdelingenlegioen der Krëthi en Plëthi, de koninklijke garde, aan wier hoofd Benaja, de zoon van Jojada stond (2 Sam. 8 : 18). Dat zijn de „helden, verbitterd als een van hare jongen beroofde berin” (17 : 8). Daarnaast stond Israëls heirban, bestaande uit alle strijdbare mannen, die echter alleen voor de groote ondernemingen werden opgeroepen. Aan het hoofd van de geheele legerorganisatie stond Joab, een houwdegen met een ruw karakter, maar met lijf en ziel aan zijn heer verbonden, wien hij vaak onbehouwen de waarheid durfde zeggen (19 : 5—7). In een latere periode streefde David naar een betere militaire organisatie, waarom hij ondanks Joabs tegenstand een volkstelling doorzette, die waarschijnlijk ook wel met belastingplannen zal hebben samengehangen. Maar deze poging, die niet alleen den vrijheidszin en het stamgevoel van Israël kwetste, maar bovenal een aanranding was van het koningsrecht des Heeren, eindigde met een pestziekte, die velen ten grave sleepte. David moest ervaren Wien de beschikking over Israëls machtsmiddelen toekwam (24).

Het derde gedeelte van Davids levenstaak: het samensnoeren der stammen tot een nationale eenheid, bestuurd door een centraal gezag, dat uiteraard niet altijd rekening kon houden met plaatselijke of met familie- en stambelangen, was verreweg het moeilijkste. De samenbindende kracht van den gemeenschappelijken krijg hield op met het beëindigen van den strijd. Het eenheidsstreven in het religieus-wettische leven liet de dagelijksche levensbelangen onaangetast en greep niet in op eeuwenoude gebruiken en machtsverhoudingen. Maar de vorming van een natie met een krachtig werkend saamhoorigheidsbesef en ernstig begeeren om alle krachten tot versterking van het eenheidsleven aan te wenden greep veel dieper in. Hier moest de onderlinge rivaliteit der stammen worden bedwongen, moesten locale belangen worden opgeofferd, oude voorrechten worden ter zijde geschoven. In één woord : hier moest een eeuwenlange geschiedenis worden overwonnen en — zij het ook met ten deele oude bouwstoffen — iets nieuws worden geschapen.

En dit was te moeilijker, omdat hier zooveel afhing van de aan te stellen ambtenaren, die des konings denkbeelden in daden moesten omzetten en wier takt te grooter moest zijn, naarmate ze verder van de hoofdstad en dus onafhankelijker waren. Alleen met de grootste omzichtigheid mocht hier worden opgetreden en ernstig moest rekening worden gehouden met de overal in het Oosten zoo geweldige macht van het historisch gewordene.

Nu zijn we vooral over dit derde gedeelte van Davids levenstaak het slechtst ingelicht, wat bij het karakter der Oud-Testamentische Schriftuur allerminst te verwonderen is. In Samuël hooren we slechts, dat David in opperste instantie recht spreekt (2 Sam. 8 : 15; 15 : 1—6); hooren we van een kanselier, die de merkwaardigste regeeringsfeiten : verdragen, overwinningen, verbonden e. d. had op te teekenen, en van een schrijver, die aanteekening had te houden van de gelden in de tempelkas, de voor den dienst opgeroepen manschappen had te monsteren, waarschijnlijk ook boek hield van alle uitgaven en inkomsten des konings (2 Sam. 8 : 16 v.). Iets meer vertelt ons 1 Kron. 26 v. Daar hooren we van ambtenaren „voor de uitwendige aangelegenheden van Israël”; ambtlieden en rechters waarbij het ons duidelijk wordt, dat ze in twee hoofdgroepen waren ingedeeld: Oostjordaanland en Westjordaanland (26 : 29—32); van stamhoofden (27 : 16—22) en van magazijnmeesters, die weer uiteenvallen in ambtenaren voor de koninklijke magazijnen, voor die van land en stad, voor de veldarbeiders, de wijngaarden, de wijnkelders, de olijf- en moerbezieboomen, de oliepakhuizen, de kemelen en het kleinvee (27 : 26—31). Maar verder hooren we van de inwendige regeling des rijks niets.

Een ander element in Davids eenheidsstreven was zijn pogen om den ouden koningsstam der Benjaminieten met zijn regeering te verzoenen. Vandaar zijn duidelijk begeeren om met het huis van Saul op vriendschappelijken voet te blijven. In Mefibóset eert hij de Sauliden als een het koninklijke hof zeer nauw bestaande familie (2 Sam. 9). En wanneer hij onder den druk van een driejarigen hongersnood zeven leden van Sauls huis aan de bloedwraak der Gibeonieten moet ten offer brengen, eert hij hen na hun dood door hen, gelijktijdig met de plechtstatig uit Jabes teruggevoerde beenderen van Saul en Jonathan, in het familiegraf van Kis als verwanten des konings door zijn eigen waardigheidsbekleders bij te laten zetten (21 : 1—14).

Absaloms opstand echter en niet minder de onmiddellijk daarop gevolgde opstand van Seba bewijzen, dat Davids nieuwbouw veler belangen ernstig had geschaad en dat het hem niet gelukt is de rivaliteit der stammen te bedwingen. Daarbij is het merkwaardig om te zien, dat Absaloms opstand van Hebron uitgaat en dus in den koningsstam Juda bijzonder veel aanhangers moet hebben gehad. Misschien heeft David, door zijn begeeren om alle stammen gelijkelijk te behandelen en niet naar Sauls voorbeeld (1 Sam. 22 : 7) zijn eigen stam met gunsten te overladen, veler sympathie van zich vervreemd. Intusschen bewijst Seba’s strijdkreet (2 Sam. 20 : 1), dat de tegenstelling Israël-Juda nog volstrekt niet tot het verleden behoorde, terwijl ook de woordentwist van 2 Sam. 19 :41—43 duidelijk doet zien, hoeveel onderling wantrouwen er ondanks Davids eenheidsbegeeren was overgebleven. En eindelijk leert Simeï’s optreden bij Davids vlucht, hoezeer zijn pogen om Benjamin en de Sauliden gunstig voor zich te stemmen ten eenenmale is mislukt. Ondanks alles is David in hun oogen een bloedmensch en belialsman, een roover van Sauls kroon (2 Sam. 16 : 7 v.).

Ten deele is deze mislukking uit natuurlijke oorzaken te verklaren. Het overwinnen van de noodlottige gevolgen eener eeuwenoude geschiedenis is voor één man ondoenlijk. Ook is één menschenleven te kort om een hechten staatsvorm op te trekken. Maar anderzijds is deze mislukking vrucht van Davids zonde. Juist in het met onvruchtbaarheid slaan van zijn innigst pogen om Israël tot een nationaal-religieuse eenheid saam te smeden heeft David moeten ervaren, dat Israëls Heilige geen gemeenschap heeft met de zondige wegen des vleesches. Juist in de mislukking van hetgeen hem het naast aan het hart lag heeft David moeten leeren, dat de realiseering van des Heeren zegen aan een heilig leven verbonden is.

Davids zonde met Bathseba is het groote drama van zijn leven geweest en heeft tal van zijn levensverrichtingen beheerscht. Ze heeft hem, die met Bathseba de diepte der onzedelijkheid had gepeild, verhinderd tegen Amnon op te treden, toen deze in eenzelfden poel wegzonk (2 Sam. 13). Ze heeft hem, wiens handen bevlekt waren door het bloed van den zoo arglistig in den dood gestorten Uria, verhinderd Amnons bloed te wreken op den voortvluchtigen Absalom en heeft hem — zij het ook aarzelend — er toe gebracht den broedermoordenaar in zijn rechten als kroonprins te herstellen (13 v.). De David na de zonde met Bathseba is een gansch ander man dan de vroegere. Hij ziet niet meer wat rond hem gebeurt. Hij schijnt niet te vermoeden, dat Absalom de geschonden eer van zijn zuster zal willen wreken, nu haar vader meent, dat het voldoende is geweest, toen hij bij het hooren van Amnon’s schanddaad in toorn ontstak (13 : 21).

Hij ziet zelfs niet het met Oostersche sluwheid en doorzettendheid door Absalom gedurende vier lange jaren gesponnen weefsel van verleiding en samenzwering. Diens opstand is voor David een bliksemslag bij helderen hemel (15 : 7—14). En wanneer later Adonia met de krachtige hulp van Joab en Abjathar tracht zich van den troon meester te maken, dan moet Nathan’s woord hem de oogen openen voor het dreigend gevaar (1 Kon. 1 : 5 v.v.).

Toch blijkt ook in deze dagen de grootheid van Davids persoonlijkheid. Ondanks het onverwachte van Absaloms opstand weet hij onmiddellijk wat hem te doen staat. Hij verliest geen moment met het in staat van verdediging stellen van Jeruzalem, doch haast zich naar het Overjordaansche, waar Joab met de kern van het leger blijkbaar vertoefde. En zelfs bij zijn overhaast vertrek weet hij maatregelen te nemen van verre strekking. Een deel van zijn harem laat hij in het paleis achter ten bewijze, dat hij niet van plan is voor Absalom plaats te maken. Waar iemands vrouwen wonen, daar is hij te huis.

Ook neemt hij alleen mede, wier beproefde trouw hem bekend is. Vandaar het gesprek met Ittai. Wie David in de stad van dienst kunnen zijn, laat hij achter. Vandaar zijn beslissing inzake Husaï, die een tweeledige opdracht krijgt: in Absaloms raad den invloed van den gevreesden Achitofel breken, en David inlichten over Absaloms plannen. En eindelijk: de ark neemt hij niet mede, omdat ze in den burgeroorlog, die straks ontbranden gaat, niet op haar plaats is. Bovendien staat het met de ark op zoo mysterieuse wijze verbonden vermogen des Heeren niet ter beschikking van David.

En eerst wanneer dit alles met groote nauwkeurigheid is geregeld, trekt David verder, de onzekere toekomst tegemoet. Siba’s schandelijk spel verleidt hem tot een ondoordacht besluit (16:1—4), dat later slechts ten halve wordt herroepen (19 : 24—30). Simeï’s vloek herinnert hem zijn eigen schuld (16 : 5—13). Zoo komt hij eindelijk te Mahanaïm, waar hij zijn getrouwen om zich verzamelt en van waar hij straks als overwinnaar naar Jeruzalem terugkeert.

Eenzelfde snelheid in het nemen van beslissingen treft ons ook weer in zijn laatste levensdagen. Nauwelijks heeft David door Nathan vernomen, wat er gaande is, of hij ontbiedt, na Bathseba van de onveranderlijkheid van zijn besluit te hebben verzekerd, de mannen, die voor de uitvoering daarvan noodig zijn en regelt alles tot in bijzonderheden (1 Kon. 1:28—35).

David is als geen andere vorst een heerlijk geschenk des Heeren aan zijn volk geweest, door Hem tegen alle menschelijke gedachten in naar de vrijmacht zijner genade uitverkoren en met vorstelijke gaven van hoofd en hart versierd, een man, die meer dan eenig ander zijn leven aan zijn God en zijn volk heeft gewijd. Hij heeft Israël gemaakt tot een volk, dat bij voortgezette eenheid een gewichtige plaats onder de volken van West-Azië had kunnen innemen. Hij heeft Israël een koningschap gegeven, dat slechts om den wille van en voor het volk wilde arbeiden en door zijn organisatorisch vermogen de zoo dikwijls in tegenovergestelde richting werkende volkskrachten tot algemeen nut heeft willen aanwenden. Bovenal heeft hij het een koningschap gegeven, dat een machtig instrument begeerde te zijn tot bevestiging van des Heeren koningschap over Israël, waarbij de koning zelf des Heeren eerste dienaar was met een open oor voor de wenken van des Heeren profeten en met een open oog voor des Heeren wil en leiding. David is een man geweest van groote dapperheid, met buitengewone militaire gaven, van scherpzinnig verstand en politiek inzicht, met een helderen blik op hetgeen in bepaalde omstandigheden werd vereischt, met een scherpen kijk op de zwakheden van het dikwijls kleine menschenmateriaal, waarover hij tot bereiking van zijn vérstrekikende plannen beschikte; een man, die zijn helpers wist te kiezen, en van hun diensten wist gebruik te maken, maar altijd zelf de draden in handen hield en leider bleef van het geheel. Bovenal is hij een man geweest van oprechte godsvrucht, met een innig begeeren om zijn weg „wel aan te stellen”, met een teer besnaard gemoed, dat de zielsworstelingen kent, gelijk uit zoo menigen psalm blijkt, maar ook den verborgen omgang met zijnen God.

Een heilige is David niet geweest. Zijn dubbelzinnig spel in Ziklag opent nauw vermoede diepten van arglistigheid. Zijn laatste opdracht aan Salomo met betrekking tot Simei' spreekt van een wraakzucht en van een listig pogen om ondanks plechtigen eed (2 Sam. 19 : 23) diens vloek bloedig te wreken, welke pijn doen, ook al wordt niet vergeten, dat we hier geen Christelijken maatstaf mogen aanleggen en dat de Oosterling grimmig haten kan. Bovenal zijn zonde met Bathseba en moord op Uria ontsluiten afgronden, wier duisternis luide getuigt van de waarachtigheid van Jeremia’s klacht over } de geheimzinnige krachten, die werken in het menschenhart (Jer. 17:9). Hier wordt het duidelijk, waarom de wetgever (Deut. 17 : 17) den theocratischen koning verbiedt vele vrouwen te nemen, „opdat zijn hart niet afwijke”. Als een echt Oostersch koning heeft David zijn harem steeds uitgebreid, zij het dan ook misschien wel met politieke bijoogmerken, gelijk de gewoonte was (1 Sam. 25 : 42 v.; 2 Sam. 3 : 2—5; 14; 5 : 13).

Daardoor aan het ontzenuwend haremleven gewoon, heeft David ook verder anderer voorbeeld gevolgd door zonder omhaal eens anders vrouw de eer aan te doen met haar gemeenschap te hebben. En wanneer dan straks door het aan den dag treden der gevolgen het leven der vrouw gevaar loopt (vgl. Lev. 20 :10), deinst hij er niet voor terug, wanneer alle andere pogingen om haar geschonden eer althans voor de oogen der menschen te redden mislukt zijn, haren man door Joab den zekeren dood gemoet te laten voeren. Een week daarna is Bathseba in zijn harem (2 Sam. 11). Maar Davids geweten is ontwaakt en, al zwijgt Davids mond, het spreekt te luider: „Toen ik zweeg, teerden mijn beenderen weg in mijn brullen den ganschen dag; want dag en nacht was uw hand zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogte” (Ps. 32 : 3 v.). Zijn beenderen werden verbrijzeld (Ps. 51 : 10).

Een jaar lang duurt deze worsteling der eenzaamheid. Dan breekt Nathans aangrijpende parabel en zijn „gij zijt die man” den laatsten tegenstand en Davids mond opent zich. „Ik heb gezondigd tegen den Heere” (2 Sam. 12 : 13). „Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in uwe oogen” (Ps. 51 : 6). Dan geen verontschuldigingen als die van Saul (1 Sam. 15 : 20v.v.), maar een zich openlijk vernederen voor den Heere in schuldbelijdenis en boete (2 Sam. 12:16), een inroepen van genade en barmhartigheid (Ps. 51 : 3), een bidden om een rein hart en zielevreugde (Ps. 51 :12,14). En gansch Davids houding onder de zware slagen, die hem in de eere en den vrede van zijn gezin treffen, en in den zwaren strijd, dien hij voor zijn koningschap moet voeren, laat zich alleen uit het mysterie van een op Gods erbarming pleitende, in de eenzaamheid der ziel biddende en worstelende boetedoening verklaren.

In de geschiedenis der Godsopenbaring staat David zonder gelijke. Hij is de maatstaf, waarnaar alle koningen gemeten worden en het hebben van een David zal het kenmerk zijn van Israëls herstelling (Hoz. 3:5; Jer. 30 : 9; Ez. 34 : 23 v.; 37 : 24 v.). Zijn huis kan dan ook niet ondergaan (Jes. 16:5; Jer. 33 : 17, 21 v., 26), want de Heere zal David een rechtvaardige Spruit doen uitspruiten (Jer. 33 : 15) en uit Isaï’s afgehouwen tronk zal een Rijsje voortkomen (Jes. 11 : 1). Daarom heet de Christus, dien David zijnen Heer noemt (Matth. 22 : 43, 45 en p. p.) Davids Zoon (Matth. 15 : 22; 22 : 30 v. en p. p.) en noemt hij zichzelf de wortel en het geslacht Davids (Openb. 22 : 16).