Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 29-12-2019

Bidden

betekenis & definitie

Het wezen des gebeds is door Ursinus duidelijk beschreven in deze woorden: „Het gebed is de aanroeping van den waren God, die voortkomt uit de erkentenis en het gevoel onzer behoefte en uit het verlangen naar de goddelijke weldadigheid, in waarachtige bekeering des harten en in het vertrouwen op de belofte der genade om den wille van den Middelaar Jezus Christus, in welke bekeering men van God de noodige gaven, lichamelijk en geestelijk, afsmeekt, of, na ze ontvangen te hebben, Hem dankt”. De samenvatting van het begrip gebed in zijn geheel is de aanroeping of aanbidding.

In het algemeen bevat het dus zoowel het verkeeren met God als het aanbidden, in het bijzonder is het iets van God verzoeken, wenschen en begeerten Hem voordragen, om de vervulling daarvan Hem smeeken. Het enkel werktuigelijk lezen in een gebedenboek of in den Bijbel, of het opzeggen van van buiten geleerde gebeden, zonder nadenken of toepassing op eigen hart voor een waar bidden te houden is teeken van groote geestelijke verblinding.

Daarom zegt Augustinus terecht: bidden is het hart, verstand en de gedachten van de aarde opheffen tot God in den hemel en hartelijk zuchten naar de hemelsche goederen.Bij alle volkeren zijn religie en gebed nauw verbonden. De heidenen baden en bidden zelfs overvloedig. Grieken en Romeinen baden bij alle gelegenheden, bij kamp- en schouwspelen, bij het openen van volks- of raadsvergadering, bij verkiezing van overheden, bij den aanvang van oorlog of veldslag, zelfs bij jacht en vermaak. „De Griek sloeg daarbij het oog ten hemel, de Romein bedekte het hoofd, want het gebed van den eerste is aanschouwing, dat van den laatste gedachte” (Mommsen). Zoo sterk liet zich bij deze volken de kracht der gemeene gratie in dit opzicht gevoelen dat nalatigheid in het bidden gold als een kenmerk van een ijdelen, zichzelf behagenden mensch (Theofrastus).

In den tijd der aartsvaders vinden wij reeds het aanroepen Gods, zelfs met kennelijke gebedsverhooring, Abraham (Gen. 18 : 23—32), Jacob (Gen. 31 : 9 enz.). Mozes gaf een bepaald voorschrift van openbare aanbidding (Deut. 26:13—15): „Zie nederwaarts van uwe heilige woning, van den hemel, en zegen uw volk Israël, het land, dat Gij ons gegeven hebt, gelijk als Gij onzen vaderen gezworen hebt” (vgl. Levit. 16 : 21).

Dat de Israëlieten gewoon waren ook met hun persoonlijke nooden tot Gods heiligdom te naderen blijkt uit Hanna’s gebed (1 Sam. 1 :2), uit Salomo’s gebed bij de inwijding van den tempel (1 Kon. 8 : 22—38). Daniël 6:11, Ps. 55 : 18 wijzen op bepaalde gebedstijden,’s morgens de derde ure (bij ons 9 uur), ’s middags de zesde (12 uur) en namiddag de negende (3 uur), de tijd van het avondoffer (Daniël 9 :21; Hand. 3:1; 10 : 30). Nog heden ten dage hebben de Joden twee hoofdgebeden, het eene wordt tweemaal, het andere driemaal per dag gebeden, waarbij de tijd van het bidden precies is afgepaald. Deze gebeden bevatten onderscheidene meer breedvoerige onderdeelen. Zoo b.v. luidt de 18e bede uit het tweede hoofdgebed aldus: „Wij prijzen u, want Gij zijt de Heere onze God en de God onzer vaderen in alle eeuwigheid, de God van ons leven, het schild onzes heils. Gij zijt het voortdurend.

Wij prijzen u en vertellen uw lof, voor ons leven, dat in uwe hand gegeven is, en voor onze zielen, die u aanbevolen zijn, en voor uwe wonderen eiken dag bij ons en voor uwe machtsopenbaring en voor uwe weldaden ten iederen tijd, ’s avonds en ’s morgens en ’s middags. Algoede, wiens barmhartigheid geen einde heeft; Barmhartige, wiens genade niet ophoudt, voortdurend wachten wij op u. En voor dit alles zij geprezen en grootgemaakt uw Naam, onze Koning, tot in alle eeuwigheid. Alles wat leeft, prijze u, Sela; en love uwen Naam in waarheid, gij God van ons heil en onze hulpe, Sela. Geloofd zijt gij Heere; Algoede is uw naam en u komt lof toe”.

Op Deut. 6 : 8 is gegrond het gebruik der z.g.n. gebedsriemen, waaraan bevestigd is een doosje bevattende een perkamentrolletje waarop in het Hebreeuwsch geschreven staat (Exod. 13 : 1—10; 13 : 11—16; Deut. 6 : 4—9). Zoo’n riempje droeg men aan den linkerbovenarm of om het hoofd.

De plaats voor het gebed was zeer verschillend. De Farizeeën deden het zelfs op straat om van de menschen gezien te worden (Matth. 6 : 7); Matth. 6:6 wijst de Heiland bijzonder de binnenkamer aan; Daniël 6 : 11 de opperzaal; Matth. 14 : 23 het dak, hoogten of bergen (vgl. Marc. 6 : 46; Luc. 6 : 12; 1 Kon. 18 : 42); de voorhoven des tempels (Luc. 18 : 10; Hand. 3 : 1). Het gelaat van den bidder was daarbij gekeerd naar het Heilige der Heiligen (1 Kon. 8 : 38; Ps. 5 : 8; Ps. 138), de Joden buiten Jeruzalem richtten het gelaat naar den tempel of in ’t algemeen naar de „stad Gods”.

De houding was: staande (1 Sam. 1 : 26; I Kon. 8 : 22; Dan. 9 : 20; Matth. 6 : 5; Marc. II : 25; Luc. 18 : 11); soms knielend als teeken van ootmoed (2 Kron. 6 : 13; 1 Kon. 8 : 54; Ezra 9 : 5_; Dan. 6 : 10; Luc. 22 : 41 ; Hand. 9 : 40); bij nog dieper deemoed liggend ter aarde (Gen. 24 : 26; Nehem. 8:6). Men hief de handen op tot God, nadat deze vooraf gereinigd waren (Luc. 18 : 11), of breidde de armen uit (Jes. 1 : 15; Ezra 9:5); bij zelfaanklacht of boete legde men de handen op de borst of sloeg zich op de borst (Ps. 35 : 13; Luc. 18 : 13), of het aangezicht gebogen tusschen de knieën (1 Kon. 18 : 42); het vouwen der handen schijnt een Christelijke gewoonte uit later tijd te zijn. Het tafelgebed gebruikte Jezus ook in den kring der jongeren (Matth. 14 : 22; Luc. 24 : 30, 35). De gewone gebedsuren sloten gebeden op andere uren voor bijzondere nooden niet uit (Ps. 62:9; 63 : 7).

Bij het toenemend ongeloof in den modernen tijd werd ook de beteekenis van het gebed al meer miskend. Men noemde het een alleenspraak in een leeg heelal en kende er alleen auto-suggestieve of interpsychische waarde aan toe. De bidder reageerde er alleen door op eigen moedelooze stemming enz., ’t was een onschuldig middel tot zelfcorrectie. Ook werd het oude bezwaar tegen de Schriftgeloovige bidders uitgespeeld : als God alle dingen besloten heeft in zijn eeuwigen raad, dan zullen wij met onze kortzichtige gebeden daar niets aan veranderen. En God weet bovendien beter wat wij noodig hebben dan wij het zelf weten. Hij geeft ook niet omdat wij het vragen, maar omdat Hij het zelf goed acht in onze behoeften te voorzien.

Gebedsverhooring is dus een ijdele illusie. Wij daartegenover gelooven dat de gebeden van Gods kinderen wel degelijk in Gods eeuwigen raad als middelen tot realiseering daarvan zijn inbegrepen en dat de Heere het gebed van ons eischt, want al weet Hij alles wat wij behoeven, Hij wil dat wij het ook zullen weten en Hem zullen vragen de vervulling onzer nooden voor lichaam en ziel, voor onze tijdelijke en eeuwige belangen. Bidden is dus roeping voor den Christen, waarin hij zelfs de dankbaarheid van den verloste Gode moet betalen (Ps.' 50 : 15; 27 :8; Filipp. 4:6; Matth. 7 : 9).

Er bestaat samenhang tusschen bidden en ontvangen (Matth. 7 : 7).

Echt bidden is alleen mogelijk door den Heiligen Geest, die de Geest der genade en der gebeden is, maar toch roept de Schrift alle menschen tot gebed; Paulus zeide zelfs tot den goddeloozen Simon den toovenaar: bid (Hand. 8 : 22).

Het bidden mag niet nagelaten worden uit onverschilligheid, uit ongeloof of wegens geestelijke inzinking. Integendeel, 1 Thess. 6 : 17: „Bid zonder ophouden”, Rom. 12 : 12, de gelijkenis in Luc. 18 : 1 enz. Slechts in enkele gevallen beveelt de Heere niet voor anderen te bidden (Jes. 7 : 17; 1 Joh. 5 : 16).

Christus heeft bijzonder bevolen het gebed in de afzondering (Matth. 6 : 6), zonder ij delen omhaal van woorden (Matth. 6 : 7), met sterk aanhouden (Luc. 18; Coll. 4:2; 1 Thess. 5:17), met ootmoed, vertrouwen, geloof, geduld (Matth. 26 : 36—39; Joh. 12 : 27; Efez. 3 : 14) met onderwerping aan den verborgen wil Gods. De vrijmoedigheid tot het gebed ontleent de geloovige alleen aan de borggerechtigheid van Christus. Daarom geschiedt het bidden in Zijn Naam (Joh. 14 en 16; Coloss.3:17; Hebr.4:16; 10 : 19 en 20). Tot leiding van het gebedsleven der zijnen gaf de Heiland het Onze Vader als een heilig exempel. Van bidden tot Jezus is sprake in Hand. 1 : 24, 7 : 56, 60, 2 Cor. 12:8.

De priesterlijke roeping van den geloovige brengt ook mede de roeping tot voorbidden voor anderen : Abraham voor Abimelech (Gen. 20 : 7), voor Sodom (Gen. 18 : 23), Mozes voor Israël, (Exod. 32 : 11), Elia voor de weduwe van Sarpat (1 Kon. 17 : 20; Spreuk. 15 : 8—29). Het gebed van den goddelooze wordt verworpen (Klaagl. 3 : 8), maar dat van den rechtvaardige vermag veel (jac. 5 : 16). Met name wordt genoemd het bidden voor kranken (Jac. 5 : 16), voor de overheid (1 Timoth. 2), voor leeraars (Efeze 6 : 19), voor de apostelen (2 Cor. 1:11; Filipp. 1 : 19; 1 Thess. 5 : 25; 2 Thess. 3:1; Hebr. 13 : 18), voor alle menschen (1 Timoth. 2), zelfs voor de vijanden (Matth. 5 : 44—48).

Nog dient gewezen op het geheel bijzonder karakter der voorbede van Christus voor de zijnen, als onderdeel van zijn hoogepriesterlijk werk (Joh. 14—17; Rom. 8 : 34; Hebr. 7 : 25). Dit gebed is borgtochtelijk (1 Joh. 2 : 1). De Heilige Schrift maakt ook melding van het gebed des Heiligen Geestes in het hart der geloovigen. Die Geest woont in hun zielen en helpt in hun zwakheden. Weten zij niet te bidden gelijk het behoort, die Geest bidt voor hen met onuitsprekelijke zuchtingen, zoodat die Geest, als zij geen verstaanbare woorden voortbrengen in hun zuchten en wenschen krachtig voor hen spreekt, overeenkomstig Gods Woord en wil {naar God) en aldus den Vader voorstelt wat zij zelven niet weten uit te drukken of waarvan zij geen klare bewustheid hebben.

In 1 Cor. 14 : 5—16 wordt gesproken van bidden met den geest in tegenstelling van bidden met het verstand.

Het eerste schijnt te doelen op een gebedsuiting als vrucht van bijzondere geestesdrijving, opkomende uit een onbewusten aandrang van het charisma, terwijl bij het tweede de klanken ook een zin hebben die zonder uitlegging voor anderen verklaarbaar, althans verstaanbaar is.

Het ware gebed zal altoos het element der dankzegging in zich bevat moeten houden (Ps. 50 : 14; Filipp. 4 : 6).

De nooden des levens en onze volstrekte afhankelijkheid van den Heere, maar ook ons vertrouwen op Hem als onzen Vader in de hemelen moeten ons dringen tot het gebed. Wel is het spreekwoord onwaar dat nood leert bidden, want bidden leert alleen de Heilige Geest, maar deze kan toch den nood als middel gebruiken (1 Petr. 5 : 7). In den nood wordt het soms zelfs den goddelooze te machtig en gaat hij roepen tot God (Jes. 1 : 15—18).

Het gebed zal den Christen versterking van zijn geloof brengen, want God ontfermt zich op ’t gebed; de gemeenschap met God wordt er in beoefend. Jac. 4:8: „Naakt tot God en Hij zal tot u naken.” Ook voor de volharding in den strijd des geloofs heeft het gebed zijn rijke waarde (Ef. 6 :18). Daarom is het gebed genoemd de ademhaling van den nieuwen mensch (Hand. 9 : 11, want zie hij bidt) en de thermometer van het innerlijk, geestelijk leven.

Een biddend leven is een kenmerk van genade (Hand. 10 : 2; Luc. 11 :13). De gemeente Gods heeft een priesterlijke gebedsroeping (Hand. 1 : 14; Luc. 18 : 7). Daarom is behalve het persoonlijk gebed en het gebed in den huiselijken godsdienst ook noodig het plechtig gemeenschappelijk gebed in den openbaren eeredienst, waarbij de Dienaar des Woords met de dankzeggingen en gebeden nadert voor Gods troon. Bij de liturgie zijn om den eisch der gelijkvormigheid ook formuliergebeden noodzakelijk, voor huiselijk en persoonlijk gebruik zijn ze slechts behulpsels. De lichamelijke en tijdelijke nooddruft sta in onze gebeden niet op den voorgrond; om haar mogen wij ook alleen bidden onder voorwaarde: Heere, indien Gij wilt (Matth. 8 : 2). Om vervulling van onze geestelijke nooddruft mogen wij ons op grond van Gods beloften zonder eenige voorwaarde tot Hem wenden (Ps. 81 : 11).

De Gereformeerden hebben in hun godsdienstoefeningen na de Hervorming knielende gebeden. De Kerkenorde der Gereformeerde kerken in Frankrijk bepaalde zelfs: „Depredikanten, gelijk ook de ouderlingen en de hoofden van het gezin worden bevolen zorgvuldig daarop acht te geven, dat men gedurende het gebed zonder eenige uitzondering en zonder aanzien des persoons door deze uiterlijke teekenen getuigenis geve van den ootmoed zijns harten en den eerbied voor God, tenzij iemand door ziekte of om andere redenen, waarvan de beoordeeling aan het getuigenis van zijn eigen geweten blijft overgelaten, er van teruggehouden wordt.” Een voegzame houding voor mannen in de samenkomst der gemeente is de staande.

Eindelijk, onze gebeden moeten zich kenmerken door belijdenis van zonde (Ezra 9:6; Jesaja 6 : 2—5) door besef van onze geringheid (Gen. 18 : 27), door oprechtheid (Ps. 145 : 18), door ongebroken aandacht (Klaagl. 3 :41), door onderwerping aan Gods wijsheid als wat wij vragen niet vatbaar is voor inwilliging, beschouwd van het hooge standpunt van den Alwetende en Almachtige (vgl. Joh. 2:4; Habak 2:3; Deut. 3 : 26; 2 Sam. 12:16; Matth. 20:22—24; 2 Cor. 12 : 8; Joh. 11 : 41—42).