Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 29-12-2019

Anabaptisten

betekenis & definitie

Het Anabaptisme is de naam van een geestelijke strooming, die zich van 1521 tot 1550 in West- en Midden-Europa heeft verbreid en optrad met de radicale prediking dat het koninkrijk der hemelen op aarde was gekomen, waarin alles nieuw was geworden en waarin de geloovigen, vrij van de wereld, zich als een levende gemeente van heiligen moesten openbaren.

Als godsdienstige en sociale richting is het een voortzetting van de eenzijdig spiritualistische stroomingen, die van den aanvang af in de kerk optraden. En evenals de Montanisten, de Novatianen en de Donatisten in de oude kerk en de Spiritualisten in de Middeleeuwen eenzijdig nadruk legden op de kerk als heilige kerk en daarbij het recht en den eisch van het natuurlijke leven miskenden, zoo heeft het Anabaptisme de verhouding van natuur en genade niet recht verstaan, het heeft radicaal gebroken met het historisch gegevene, en de objectieve normen, en, steunende op het inwendige licht, zich laten drijven op de subjectieve gevoelsmystiek. Daardoor vertoonde het een eenzijdig revolutionair karakter, dat de vastigheden omverwierp, in botsing kwam met de historische instituten van kerk en staat, en daarom als een gevaarlijke richting vervolgd werd. Toen de eerste wilde uiting van het Anabaptisme had uitgewoed, vervormde het zich tot een gemeente van rustige Christenen, die deels in onderscheidene landen, wars van elke tirannie en dwang, als een vrije onafhankelijke gemeenschap zich voortzette, deels in het kerkelijke leven als een gemoedelijk mystieke onderstrooming voortleefde, uit welke kringen voortkwamen mannen, die den stoot gaven tot een nieuwe beschouwing van de verhouding van kerk en staat, van geloof en wetenschap.

Historisch is het Anabaptisme een strooming in de kerk, voor wie de reformatorische arbeid van Luther en Zwingli niet radicaal genoeg was. De Reformatoren legden wel den bijl aan den wortel van de sacrale kerk, maar de radicalen keurden het af, dat zij niet beslist braken met het historisch gegevene, dat zij bij hun streven steunden op den wereldlijken arm, en dat zij door nieuwe machten in het kerkelijke te willen de vrijheid der geloovigen aan banden legden. De Reformatoren braken de banden der hiërarchie, die zich als middelares tusschen God en de gemeente gesteld had, en wilden dat de geloovigen, zonder bemiddeling van priester en sacrament rechtstreeks met God in gemeenschap konden treden, om met heel de existentie Hem te aanbidden en te dienen. Maar wijl God zelf zich in de natuur en vooral in de Heilige Schrift heeft geopenbaard wie Hij is en wat Hij vraagt van zijn schepsel, en heel de wijze van dienst Gods in de Heilige Schrift is gegeven, acht de Reformatie de Heilige Schrift als bron van de kennis Gods en als de regel voor geloof en leven onmisbaar noodig. Doch de Anabaptisten leerden, met beroep op het oorspronkelijke enthousiasme in de kerk, dat men ook door de Schrift geen nieuwen band aan het geloof mocht aanleggen, en dat, al was de Heilige Schrift een Goddelijk boek, het kriterium voor de uitlegging der Schrift gelegen was in de inwendige verlichting en verzegeling. En evenals in de dagen der eerste Christelijke kerk een wereld- en cultuurschuwe en eschatologische stemming de Christenen beheerschte, zoo moest ook thans de gemeente als de bruid Gods, de gemeente van heiligen, zich niet voegen naar de zondige orde van de Gode vijandige wereld en naar de staatswet, maar heel het natuurlijke moest buigen voor de wetten van het nieuwe leven.

Op onstuimige wijze wilden zij het ideaal, dat als ster der hope voor hun oog schitterde, tot verwezenlijking brengen. De warmte van gevoelen en handelen overheerschte in hun kring de diepte van het denken, het subjectieve gaf den toon aan. Hadden de Reformatoren in hun wereldbeschouwing de natuurlijke dingen, het leven temidden van de wereld, in ambt en beroep, in staat en maatschappij opgenomen, zoodat geen enkel levensterrein op zich zelf zondig is, en de Christen midden in de wereld God moet dienen, het Anabaptisme proclameerde een scheiding tusschen natuur en genade. De schepping, heel de natuur, zoo leerden zij, is van lagere orde, is stoffelijk, vleeschelijk, onrein; het nieuwe, dat door de geboorte uit den Geest ontstaat, is goed. Christus heeft een hoogere menschelijke natuur, de wedergeboorte stort een nieuwe substantie in den mensch in, de geloovigen zijn wat anders en mogen daarom geen gemeenschap hebben met andere menschen, met de ongeloovigen, met de wereld. Vandaar wilden zij ook een gesepareerde kerk, geheel afgezonderd van de wereld, een gemeente van louter heiligen.

Hun ethiek bouwden zij op dezen grondslag op. En de consequentie eischte dat zij niet alleen een religieus-ethische, maar ook een politieksociale hervorming wilden, de afschaffing van het historisch gegevene en natuurlijke, afschaffing van alle misbruiken niet alleen, maar ook van de rente, van den eed, van het dragen van het zwaard, enz., en terugkeer tot de volle vrijheid van den individu, de polygamie, de gemeenschap van goederen. Gaat Rome de natuur onderdrukken, het Anabaptisme gaat de natuur vernietigen.

Zürich is de geboorteplaats van de Doopersche beweging. Het gevoelen van Keiler en andere historici, die den oorsprong van het Anabaptisme zochten in de Middeleeuwsche secten, kan niet worden bewezen. Ongetwijfeld is het Anabaptisme niet anders dan een radicale uitwas van het Protestantisme. Doch de vroeger algemeen heerschende meening, die de Dooperschen terugbracht op de Zwickauer profeten en Thomas Münzer, is, sedert de onderzoekingen van Cornelius en De Hoop Scheffer, prijsgegeven. Zürich is het vaste uitgangspunt van de Anabaptistische beweging. Er waren te Zürich een kleine groep van ontevredenen, die de reformatie van Zwingli al te onbestemd en half toescheen, en die een meer volledige breuk met het historisch gewordene wilden. Een verkeerd begrepen ideaal bracht vroegere vrienden tegenover Zwingli.

Konrad Grebel, de leider der radicalen in Ziirich, zeide uitdrukkelijk, dat Zwingli hem aanvankelijk dingen gezegd had, die hij later niet meer wilde bevestigen. Zij namen het aan Zwingli kwalijk, dat hij het bestuur der kerk in de handen der overheid liet. De ware geloovigen moesten, zoo leerden zij, zich onafhankelijk van de overheid vereenigen als een gemeente van heiligen naar de voorschriften van het Evangelie, en de broederliefde oefenen in de gemeenschap van goederen. Zelfs werd in dezen kring de mogelijkheid van een zondeloos leven uitgesproken, en leeringen voorgesteld, die in strijd waren met de zedewet. Sedert 1524 begonnen zij, in navolging van Thomas Münzer den kinderdoop te bestrijden, en eischten dat met den doop moest worden gewacht tot de doopelingen getuigenis van hun geloof konden afleggen. Ook namen zij de communistische leeringen van Münzer over.

Vriendschappelijke samensprekingen om de afwijkenden te overtuigen hadden geen gevolg, en toen de raad van Zürich in Januari 1525 eenige raddraaiers : Röubli, Andreas op krukken, Hetzer, en anderen uit het gebied van Zürich verbande, vereenigden de opposanten zich als een gemeenschap van wedergeborenen, met den doop als teeken van geloof en wedergeboorte. Het dorp Zollikon werd het centrum der beweging. Daar doopte Grebel een gewezen monnik Blaurock en vijftien anderen. Hiermede was de gemeente der Wederdoopers opgericht.

Door de vervolging verbreidde de secte zich in de omgeving. In 1526 en 1527 ging de beweging van plaats tot plaats voort. Een krachtig enthousiasme greep de gemoederen aan. Psychopathische toestanden werden gezien, om het lijden van Christus na te bootsen sloeg de eene broeder den anderen het hoofd af. Middeleeuwsche werkgerechtigheid en ascese werd hier en daar verheerlijkt. Het predikambt werd verworpen, evenals de overheid en de eed.

Tegenover het Woord Gods in den Bijbel stelde men het inwendige woord Gods. Ook Hans Denk, een humanist, rector van Neurenberg, kwam door Hubmaier tot het Zwitsersch Anabaptisme, en werd in 1526 gedoopt. Door zijn mystisch spiritualistische leeringen, dat de verlichte mensch in staat is de wet Gods zonder zonde te vervullen, door zijn leer van de bekeering der duivelen en de apokatastasis van alle dingen, heeft hij in de kringen van het Anabaptisme een afzonderlijke plaats.

Terstond na den Boerenoorlog ontstonden op vele plaatsen in Duitschland Doopersche gemeenten. Door de gruwelijke vervolging, waarmede de overheid tegen hen optrad, verbreidden de Anabaptisten zich over geheel Zwitserland, Oostenrijk, Duitschland en Nederland, en vonden overal aanhang bij de mystieke en de radicale kringen. Reizende predikers, van dorp tot dorp, van stad tot stad trekkend, met de apostolische groete en de prediking van het koninkrijk Gods; herders, die de verzamelde gemeenten het nieuwe Evangelie brachten en het brood braken; diakenen, die de goederen beheerden en de gaven aan de armen uitdeelden, zijn de dragers van de eenvoudige organisatie. Enkele bestudeerde en geniale predikers als Denk, Hetzer, Hubmaier en Huter waren de leidslieden, leekepredikers de bezielde verkondigers van het Evangelie des koninkrijks.

In het jaar 1530 kwam er een wending in de geschiedenis van het Anabaptisme. De beweging aanvankelijk van de wereld afgewend en weerloos, sloeg om in een revolutionaire actie, die zich keerde tegen de bestaande staatsorde en kerk. Onder den druk ontstond de eschatologische verwachting van het hemelsche Jeruzalem, dat spoedig op aarde zou komen. In de laatste dagen zal het lijden een einde nemen, en zullen de geloovigen naar het zwaard grijpen om den tegenstander te verdelgen. De verkondiger van deze leer was Melchior Hoffmann, een bontwerker, geboortig uit Schwäbisch Hall, die na vele omzwervingen in Lyfland, Zweden, Holstein en Oost-Friesland in Straatsburg kwam, blijde begroet als een voorstander van en martelaar vanwege de Zwitsersche avondmaalsleer, weldra door zijn enthousiastische en apocalyptische prediking gevreesd werd, zich afscheidde van de staatskerk en zich aansloot bij de Wederdoopers. Deze daad was van beteekenis.

In een tijd toen in Duitschland de kracht van het Anabaptisme gebroken scheen, heeft hij door zijn leer de Doopersche beweging nieuw leven ingeboezemd. Toen de raad van Straatsburg hem wilde gevangen nemen trok hij naar Oost-Friesland, waar hij schreef zijn „Ordonnantie Gottes”, in welk boek hij de gedachte ontwikkelt van een verbond Gods met zijn volk. In Oost-Friesland niet met rust gelaten, trok Hoffmann als een apostolisch gezant het land door, alom de geloovigen verzamelend om de banier van den verbondsdoop, maakte een reis door Nederland, waar reeds vroeger Jan Trypmaker, door Hoffmann in Emden voor zijn leer gewonnen, gewerkt had, en waar het Anabaptisme door beider werkzaamheid krachtig werd gesterkt. Als profeet erkend reisde Hoffmann langs den Rijn weder naar Straatsburg, voorspellend dat van Straatsburg uit de 144.000 boden de wereld zouden doortrekken om de wereld te bekeeren, en dat weldra de dag der wrake zou komen over de vervolgers. Een bijzondere leering van Hoffmann was nog dat de logos niet onze natuur (het verdoemde Adamsvleesch) had aangenomen, ook niet zijn menschelijke natuur uit Maria had ontvangen, maar dat het eeuwige woord Gods zelf in het lichaam van Maria door een bijzondere scheppingsdaad Gods vleesch geworden was. De richting van Hoffmann werd weldra toongevend.

Ofschoon Hoffmann zelf persoonlijk van geen geweld wilde weten, kon hij weldra de geesten niet meer beteugelen. Jan Matthijsz., broodbakker in Haarlem, trachtte het verbondsevangelie te realiseeren.

In Nederland was sedert 1530 het Anabaptisme sterk uitgebreid. In sommige Hollandsche steden behoorde wel een vijfde der bevolking tot de Anabaptisten. Geen wonder, want de evangelische predikers hadden het land verlaten, of hielden zich stil, zoodat de geloovigen, bijkans zonder leiding, slechts bij de enthousiaste predikers steun en troost vonden. Toen nu Hoffmann in 1533 gevangen genomen was, trad in November 1533 Jan Matthysz. als een Elia, een voorlooper van het koninkrijk der hemelen, op. Hij profeteerde dat de Heere Straatsburg had verworpen, en Münster als zetel van het nieuwe Jeruzalem had aangenomen. Zich beroepend op openbaringen en gezichten betooverde hij de Wederdoopers, die hem tot hun bisschop aanstelden en waardig oordeelden twaalf apostelen te verkiezen, die hij overal rondzond om de geloovigen op te roepen om te komen naar het nieuwe Jeruzalem, waar het rijk van vrede en gerechtigheid zou aanbreken.

Vele honderden trokken naar de heilige stad, vanwaar de bisschop verdreven was, en waar onder leiding van jan Matthijsz. en anderen het „koninkrijk Zion” werd opgericht, in welk rijk het communisme en de polygamie werden ingevoerd, en door de leidslieden op orgiastische wijze werd geleefd. Doch het „koninkrijk Zion” had geen langen levensduur. Niettegenstaande de boden van den koning van Zion in alle landen rondgingen om de geloovigen op te roepen om Zion te komen verlossen, volgde den 24 Juni 1535 de ontnuchtering. Münster werd door den bisschop ingenomen, de koning van Zion werd gevangen genomen en met onderscheidene metgezellen gemarteld en gedood.

Van nu aan kwam een scheiding tusschen de radicalen, die de hoop op een aardsch rijk niet opgaven, namelijk de Munsterschen en de Batenburgers, en de tegenstanders van geweld en polygamie, de Melchiorieten en Ubbonieten, de aanhangers van Obbe en Dirk Philips, die het rijk zagen in een gemeente van wedergeborenen. Een poging om de partijen te verzoenen op een vergadering te Bocholt, in Westfalen, mislukte, ondanks het streven van David Joris. Van nu aan werden de Wederdoopers overal verafschuwd en vervolgd. In het Noorden, in Eiderstadt en Mecklenburg, in Pruisen, Engeland en hier en daar in Nederland konden zij rust vinden.

Aan Dirk Philips, Menno Simons en Adam Pastor is het gelukt de verstrooide Dooperschen te reorganiseeren tot een practisch Christelijke gemeente, de fanatieke en de antinomiaansche elementen uit te zuiveren, en daardoor het voortbestaan der secte mogelijk te maken. De naam Anabaptisten werd voor deze groep vervangen door dien van Mennonieten of Doopsgezinden, die een gemeente van heiligen wilde zijn, streng afgezonderd van de wereld door kleeding, strenge tucht, en eenvoudige levenswijze en die zich onderscheidden door hun mystiek-ethische leekenreligie. Het communisme der Anabaptisten werd door hen afgekeurd. Naast doop en avondmaal leerden zij als derde sacrament de voetwassching. Door hun eenvoud en arbeidzaamheid kwamen zij veelal tot groote welvaart. Van uit Nederland verbreidden zij zich over Duitschland, Engeland en Noord-Amerika.

In Bohemen, Italië en Polen bleven nog vele Anabaptisten maar hier vermengden zij zich veelal met de Antitrinitariërs. Ten deele losten zij zich op in de Socinianen, en tendeele werden hun gemeenten door de vervolging uitgeroeid.

De vervolging der Anabaptisten in Nederland dreef velen uit naar Engeland, waar reeds vroeger verschijnselen waren van het Anabaptisme, dat trekken gemeen had met de Lollarden. Reeds in 1534 trad de kerk tegen hen op en onder de regeering van Hendrik VIII en van Maria ondergingen velen den marteldood. Doch zij werden door de vervolging niet uitgeroeid, maar onder de regeering van Elisabeth werden nog steeds maatregelen genomen tegen het toenemende gevaar dezer secte. Verwant met deze Anabaptisten was John Smyth, die om des geloofs wil vervolgd, uitweek naar Nederland en te Amsterdam, onder invloed van de Nederlandsche Doopsgezinden, voorstander werd van den wederdoop. Van den doop door onderdompeling is echter bij hem nog geen sprake. De vader van het Engelsch Baptisme is John Spilbury, die den dompeldoop overnam van de Collegianten te Rijnsburg.