Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 29-12-2019

2019-12-29

Aas

betekenis & definitie

komt in de Heilige Schrift voor in eigenlijken en figuurlijken zin.

I. In eigenlijken zin beteekent dit woord
1.het doode lichaam van een dier, dat niet door slachten tot een offer of tot spijze, maar op de een of andere wijze omgekomen was; het wordt (Gen. 15 : 11) bij uitzondering voor Abrahams offerdier gebezigd, dat reeds lang dood lag.
2.Ook wel gebezigd voor lijken van goddelooze menschen, b.v. van Izebel (2 Kon. 9 : 37).

De Joodsche wetten bevatten in betrekking tot het aas de volgende bepalingen: wie het aas van een rein dier aanraakte, droeg of at, was onrein, d. i. uitgesloten van de gemeenschap der andere Israëlieten en verontreinigde weder, wat hij aanraakte (Hag. 2 : 14, verg. Num. 19 : 22) tot aan den avond, moest zich baden en zijn kleed wasschen (Lev. 11 : 39; 17 : 15; 22 : 8; Ex. 22 : 31). Het aas van onreine dieren, op welke wijze zij ook mochten omgekomen zijn, verontreinigde in ieder geval hem, die het aanraakte, ot at (Lev. 5 : 2, 11; 8 : 24, 36 ; 17 : 15) ; bovendien werd ook ieder voorwerp, waarop zulk een aas viel, onrein tot aan den avond. Breekbare vaten moesten verbroken, houten voorwerpen en kleederen in het water gereinigd worden. De drank uit zulk een vat, de spijze, waaraan water kwam door aas verontreinigd, was onrein en verontreinigde. Bronnen, greppels en waterhouders bleven rein.

Het zaad, tot zaaien bestemd, werd door het aas niet verontreinigd, daar het niet in onmiddellijke betrekking kwam met den mensch; maar wel het zaad dat tot voeding in het water was geweekt (Lev. 11 : 32—38). Vreemdelingen daarentegen mochten het eten en ook weêr aan vreemden verkoopen (Deut. 14 : 21). Hier is ook de grond tot dit verbod aangegeven: want gij zijt een heilig volk den Heere uwen God. De dood, ook van het redeloos schepsel, is wegens zijn samenhang met de zonde der menschen, als een gevolg en openbaring der zonde, iets dat verontreinigt en bevlekt. De bepalingen van de ceremoniëele wetten moesten dus, evenals alle andere reinigingsceremoniën, bij het volk Gods het besef van zijne scheiding van God door zonde en schuld levendig houden, een getuigenis afleggen, dat God geen welbehagen heeft aan den dood, het verlangen naar verlossing van zonde en dood wekken en behooren alzoo ook tot het karakter der wet, als tuchtmeester tot Christus (Gal. 3 : 24). Ook nog moeten zij ten zinnebeeld zijn, dat onder het ware volk van God geen dood meer zijn zal (Openb. 21 : 4; 1 Cor. 15 : 26). Wie er alleen een gezondheidsmaatregel in wil vinden, miskent het geheele wezen der Mozaïsche wet.

II. In figuurlijken zin komt het woord voor,

1.om eene verwoestende ziekte aan te duiden (Job 13 : 20). Hier staat in het Hebreeuwsch „raqab”, dat beteekent „dood lichaam” of „verrotting”.
2.Als beeld van een goddeloos in den geestelijken dood en zedelijke onreinheid verzonken volk. Want alwaar het doode lichaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden (Matth. 24 : 28; Luc. 17 : 37). Dit ziet niet op het Joodsche volk als aas en op de Romeinen als arenden, maar het is een algemeene spreuk, waardoor bevestigd wordt, dat Jezus Christus, als Hij wederkomt, gericht zal houden over alles, wat onrein is en gruwelijkheid deed. Het is daarom ook gezocht en onjuist, om het woord „aas” in dezen tekst te laten zien op den gestorven Christus en „arenden” op de geloovigen. Wie zoo de Schrift uitlegt, doet haar geweld aan.