Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Gepubliceerd op 29-12-2019

2019-12-29

Aanroepen

betekenis & definitie

Het aanroepen van den Naam des Heeren is een der Schriftuurlijke uitdrukkingen voor het bidden. Inzonderheid duidt het aan, dat men hoorbaar en plechtig den Allerhoogste aanspreekt in tegenstelling tot het stille gebed, dat Hanna bijvoorbeeld opzond, en waarvan Paulus eveneens spreekt, wanneer hij handelt over het bidden met onuitsprekelijke verzuchtingen (1 Sam. 1 : 12—13; Rom. 8: 26).

Het ziet dus oorspronkelijk op de aanspraak des gebeds. En daar het zweren nu ook een soort van gebed is, werd het ook wel als eedsformule gebezigd, men denke aan Paulus’ zeggen : „Doch ik aanroep God tot een getuige over mijn ziel, dat ik om u te sparen nog te Corinthe niet ben gekomen” (2 Cor. 1 : 23). ..(Aangezien nu het gebed of het bewuste verkeer met God het hoogtepunt van de religie is en alles in den eeredienst deze gemeenschapsoefening met God ten doel heeft, wordt het aanroepen van God of van zijn Naam ook wel in de Schrift gebruikt ter aanwijzing van den eeredienst in zijn geheel.

In dezen meer uitgebreiden zin komt het woord voor in Genesis 4 : 26, waar van Enos’ dagen gezegd wordt: „Toen begon men den Naam des Heeren aan te roepen.” Hiermede wordt de aanvang geteekend van den publieken eeredienst, zooals hij zich later in onze godsdienstoefeningen ontwikkeld heeft.In het spraakgebruik der Roomsch-Katholieke kerk is de beteekenis van het aanroepen eenigszins gewijzigd. Deze kerk pleegt niet alleen God, maar eveneens goddelijk geachte personen aan te roepen zooals de martelaars, de heiligen, bovenal Maria, en ook wel de engelen. Niet, alsof zij hen daarmede als God zelf wil eeren, zij maakt wel degelijk onderscheid tusschen de aanroeping Gods en die der heiligen, maar zij bewijst er aan die schepselen dan toch een eer mede, die er geenszins aan toekomt. De Heidelbergsche Catechismus wijst hier het rechte spoor. Op de vraag naar het Gode aangename gebed, antwoordt dit leerboek door als eerste voorwaarde te noemen „dat wij alléén den éénigen waren God, die zich in zijn Woord aan ons geopenbaard heeft, van harte aanroepen” (Vr. 117). Elke andere aanroeping, hoe zeer ook verzwakt en gewijzigd, valt naar de Heilige Schrift onder den afgodendienst.