zitten betekenis & definitie

1. Verdeeld zijn (bij de tegenpartij), zoals in: ‘De schoppen zitten vier-een.’ Soms wordt ‘zitten’ als synoniem gebruikt voor rond zitten.

2. Gesitueerd zijn (bij een bepaalde tegenstander), zoals in: ‘Schoppen heer zat fout.’
3. Gezeten zijn (in een bepaalde windrichting).
4. Zich bevinden (in een contract).
5. Niet bewegen; synoniem voor geslacht zitten. In de uitdrukking: ‘Ik zit.’

Zie ook: erin zitten

Gepubliceerd op 27-06-2017