hand betekenis & definitie

1. De dertien kaarten van een speler. Ook: kaart, spel.

2. De positie van een speler bij het bieden of spelen: eerste hand (ook: voorhand), tweede hand, derde hand of vierde hand (ook: achterhand). Voorbeelden: de gever zit in de eerste hand bij het bieden; de partner van degene die uitkomt zit in de eerste slag op de derde hand.
3. De hand van de leider (in de tegenstelling met de dummy). De leider kan ‘in de hand’ aan slag zijn of ‘in de dummy’.

Zie ook: uitpas

Gepubliceerd op 23-06-2017