Bijlesnetwerk

Bijlesnetwerk verzorgt bijles in heel Nederland

Gepubliceerd op 14-02-2016

2016-02-14

Hun/zij

betekenis & definitie

In het Nederlands worden de woorden hun en zij vaak door elkaar gehaald, terwijl ze toch echt een andere gebruiksvorm hebben. Het is echter niet altijd duidelijk wanneer je hun en wanneer je zij gebruikt.

Hun kan nooit een onderwerp van een zin zijn. Een onderwerp van een zin is altijd de persoon of datgene wat iets doet in een zin. Een voorbeeld van een zin waarin hun het onderwerp is:

Hun hebben dat gedaan.
Waar zijn hun mee bezig?

In beide zinnen is hun hetgeen dat iets doet. Dit is in de Nederlandse taal echter fout, je moet hun vervangen door zij. Hun kun je wel gebruiken als persoonlijk voornaamwoord, maar alleen als meewerkend voorwerp. Een meewerkend voorwerp komt in een zin veelal voor als iets aan of voor iemand wordt gegeven of gedaan. Daarnaast wordt hun gebruikt als bezittelijk voornaamwoord.

Ik heb hun dat gegeven.
Dat is hun auto.

In de eerste zin is hun een meewerkend voorwerp, dus mag je het gebruiken als persoonlijke voornaamwoord. In de tweede zin is hun gebruikt als bezittelijk voornaamwoord. In alle andere gevallen dan bovenstaande, kun je het beste zij gebruiken in plaats van hun. Zij kan in een zin zowel als onderwerp als persoonlijke naamwoord worden gebruikt.

Zij hebben hun tafel verplaatst.

Hierbij is zij het onderwerp van de zin en hun het bezittelijke voornaamwoord.