Zalig betekenis & definitie

Zalig, gelukkig (in zedelijk opzicht), in harmonie met God levend.

Zalig (zijn) de ...., gelukkig zijn de ..., de beginwoorden van de zaligsprekingen

Zaligsprekingen, acht spreuken aan het begin van de bergrede, waar Jezus over het Koninkrijk der Hemelen preekt en vertelt welke mensen daar aanspraak op kunnen maken: de armen en eenvoudigen.

De tekst van de zaligsprekingen luidt in de NBG-vertaling, Matteüs 5:3-12, als volgt (in de NBV is op deze plaatsen ‘gelukkig’ te vinden):

Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden.

Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.

Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.

Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.

Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.

Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil.

Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd.

De eerste spreuk is de bekendste: zalig de armen van geest. Deze wordt nog het meeste gebruikt, ook in varianten met in plaats van armen woorden als onnozelen en dergelijke. Ook veel varianten op de constructie zalig zijn zij, die... komen voor. De naam zaligspreking wordt in de NBG gebruikt in de hoofdstuktitel boven Matteüs 5:1-12. Elders komt het voor in Romeinen 4:9, waar het betrekking heeft op een andere spreuk, die begint met zalig de man... : ‘Geldt deze zaligspreking dan de besnedene of ook de onbesnedene?’ (NBG-vertaling). Het bij zaligspreking gevormde werkwoord zaligspreken is een incidenteel verschijnsel: ‘Tijdens de middagpauze inderhaast / oververteld met wind en zaligspreken, gaat ons gesprek de stilte ruggespreken’ (G. Achterberg, Verzamelde gedichten, 1985 (Diana, 1957), p. 875).

Bijbelcitaat: Rijmbijbel (1271), v. 22666-72. God heuet aldus eist bescreuen. / Vp sine ionghers doghen verheuen. / Dus scriuet mateus terre steden. / Ende leerdem .viii. salicheden. / Salich sijn die armoede. / Na den gheest doghen in gode. / Hemelrike es hare miede. [...] (Jezus heeft, zo staat beschreven, zijn ogen opgeslagen naar zijn discipelen, zo schrijft Matteüs op deze plaats, en preekte hun acht zaligheden. Zalig zijn degenen die armoede van geest lijden terwijl zij in God geloven; de hemel zal hun beloning zijn. [...])

Gebruiksvoorbeeld: Zalig is kramiek, want het rijk gods behoort hem toe omdat hij simpel van geest is, en zich overal weet aan te passen. (L.P. Boon, De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren, 1980 (1953/1956), p. 851)

Gebruiksvoorbeeld: Als Nick een hersenchirurg ontmoette, dan was hij er zelf een, of toch bijna. Praatte hij met een archeoloog, dan had hij na drie zinnen zelf belangrijke vondsten opgegraven. Kwam hij met een diepzeeduiker in gesprek, bleek hij op de hoogte van alle kneepjes van het vak. Zalig de onschuldigen van geest. (K. Hemmerechts, Margot en de engelen, 1997, p. 67)

Gebruiksvoorbeeld: Nergens kan je nog met goed fatsoen rookwaar aansteken. Zalig zijn zij die over een eigen ruimte beschikken, maar zij die dit niet hebben, dienen buiten te roken, ongeacht het weertype. (Mare 18-2-1999, p. 4)

Bijbelcitaat: Statenvertaling (1637), Romeinen 4:9. Dese saligh-sprekinge dan, is die alleen over de Besnijdenisse, ofte oock over de Voor-huyt?

Gebruiksvoorbeeld: Weer een heel ander stempel is er op het christendom gedrukt door de omstandigheid dat de eerste christenen tot de sociaal-economisch zwakken behoorden. Waarschijnlijk moeten we hier de oorsprong zoeken voor de Zaligspreking dat de armen van geest het Koninkrijk der Hemelen zullen beërven (Matt. 5: 3-11). (Liberaal Reveil, 1994, nr. 1)

Gepubliceerd op 11-05-2017