Samaritaan betekenis & definitie

Samaritaan, inwoner van de landstreek Samaria.

Barmhartige Samaritaan, iemand die zich spontaan over een medemens ontfermt.

Samaritaans, behulpzaam zonder zelfzuchtigheid.

Een van de gelijkenissen die Jezus zijn discipelen vertelt, heeft in de loop der eeuwen de titel De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan gekregen, zoals deze in de NBG-vertaling is te vinden boven Lucas 10:25-37 (de NBV heeft voor een andere titel gekozen). Het verhaal moet de vraag beantwoorden wie iemands naaste is, en vertelt hoe een man door rovers wordt overvallen en gewond langs de weg wordt achtergelaten. Eerst een priester en dan een leviet, die op grond van hun functies toch geacht mochten worden hulp te bieden, besteden geen aandacht aan het slachtoffer, maar een Samaritaan, een lid van een door de orthodoxe joden veracht volk nog wel, heeft medelijden en ontfermt zich over de gewonde. Hij is diens naaste. Van deze uitdrukking is ook het bijvoeglijk naamwoord Samaritaans, ‘onzelfzuchtig behulpzaam’, afgeleid.

Gebruiksvoorbeeld: Eigenlijk heeft Touvier al jaren levenslang. Dertig jaar was hij op de vlucht, onderdak gebracht door geloofs- en overtuigingsgenoten, naïeve Samaritanen en verbeten anti-democraten. (NRC, apr. 1994)

Gebruiksvoorbeeld: Vader Lange [...] schafte in het vervolg slechts gloednieuwe automobielen aan. En als een barmhartige Samaritaan in zijn dagen deed hij er goede werken mee. (T. Kortooms, Mijn kinderen eten turf, 1967 (1959), p. 99)

Gebruiksvoorbeeld: De Noren liggen vermoedelijk al uren te knorren in hun donzen slaapzakken in hun gerieflijke centraal verwarmde kooien, met volle magen, lichtelijk uitgeteld door de drank en de samaritaanse houding tegenover een stelletje Hollanders die zo nodig in tentjes op de noordpool wilden overnachten. (L. Hacquebord, R. de Bok, Spitsbergen 79° N.B. Een Nederlandse expeditie in het spoor van Willem Barentsz., 1981, p. 91)

Gepubliceerd op 11-05-2017