Nimrod betekenis & definitie

Nimrod, een nakomeling van Noachs zoon Cham die een groot jager was; (fig.) jager.

Nimrod komt in de bijbel niet voor als handelende persoon, maar wordt vermeld vanwege enkele opvallende capaciteiten: ‘Kus was ook de vader van Nimrod, die de eerste machthebber op aarde was. Hij was een geweldig jager, door niemand overtroffen. Vandaar het gezegde: Een jager zonder weerga, een tweede Nimrod’ (Genesis 10:8-9, NBV). Zijn naam wordt nog steeds gebruikt ter aanduiding van een jager.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Genesis 10:8-9. Mer Chus wan Nimrod Die begonste een geweldich here te zyn op der aerden, ende was een geweldich iager voor den HEREN Daer wt compt dat gemeyn seggen, dat is een geweldich iager voor den HERE ghelijc Nimrod.

Gebruiksvoorbeeld: Er wordt kortom heel scheef en eigenaardig tegen de schepping aangekeken. Bijvoorbeeld in het ‘Jagerslied’, waarin een kwetsbare Nimrod, al met zijn ‘schietgeweer’, door haasjes, eekhoorns en herten wordt gemolesteerd. (Trouw, 15-5-1986)

Gebruiksvoorbeeld: Intussen wachtte de tragische freule Penelope in de auto op de terugkeer van haar Odysseus, op de terugkeer van haar Nimrod, de bijbelse jager in het aanschijn des heren, die in feite slechts een verloren zoon was. Van een goede familie. (P. Verhuyck, De doodbieren, 1991, p. 100)

Gepubliceerd op 11-05-2017