Mosterdzaad betekenis & definitie

Mosterdzaad, (fig.) iets kleins dat uit kan groeien tot iets groots.

Het zaad van de (zwarte) mosterd is erg klein, terwijl het uitgroeit tot een (eenjarige) plant van bijna drie meter hoog. Het is dan ook een heel gelukkig symbool voor iets, bijvoorbeeld een overtuiging of een beweging, die ondanks de aanvankelijke nietigheid, onbelangrijkheid, kan uitgroeien tot iets enorms. Vgl. Matteüs 13:31, ‘Het koninkrijk van de hemel lijkt op een zaadje van de mosterdplant dat iemand meenam en in zijn akker zaaide’ (NBV). Zie ook Matteüs 17:20, ‘Ik verzeker jullie: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zullen jullie tegen die berg zeggen: “Verplaats je van hier naar daar!” en dan zal hij zich verplaatsen. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn’ (NBV). Tegenwoordig wordt gewoonlijk de verkleinvorm mosterdzaadje gebruikt.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Matteüs 17:20. Want ic seg v warachtelic waerd dat ghi gelooue hadt als een mostert saet, so mocht ghi seggen tot desen berch, vertrect v van hier derwaert so soude hi vertrecken, ende v en sal niet onmogelic zijn. (De eerste verkleinvorm zijn we tegengekomen in de Leidse vertaling (1899-1912): mosterdzaadje.)

Gebruiksvoorbeeld: In het theologische vertaald zou men spreken van een geloof als een mosterdzaad, niet dat het bij Aya Zikken over geloof gaat, maar over de aard van de geestelijke waarden die niet kwantitatief zijn uit te drukken. (Nieuwe Haagsche Courant, 18-7-1964)

Gebruiksvoorbeeld: Niemand die het gewicht van een mosterdzaadje geloof in zijn hart heeft zal naar de hel gaan. Niemand die het gewicht van een mosterdzaadje hovaardij in zijn hart heeft zal naar het paradijs gaan. (NRC, apr. 1995)

Gepubliceerd op 11-05-2017