Hosanna betekenis & definitie

Hosanna, (lett.) geef heil; bijbelse heilwens en jubelkreet. Soms in profaan gebruik, ook als zelfstandig naamwoord: gejuich.

Hosanna roepen of zingen, juichen.

Via het Latijn van de Vulgaat is deze van oorsprong Hebreeuwse uitroep in het Nederlands gekomen. In de bijbel komt hosanna voor bij de evangelisten, in het verhaal van de intocht van Jezus in Jeruzalem op Palmzondag. Hij trok de stad in, gezeten op een ezel, en werd door het volk met hosanna-geroep begroet en met palmtakken toegezwaaid: ‘Toen de grote menigte, die voor het feest gekomen was, hoorde dat Jezus naar Jeruzalem kwam, namen zij palmtakken, gingen hem tegemoet, en riepen: ‘Hosanna, gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!’ (Johannes 12:13).

Bijbelcitaat: Rijmbijbel (1271), v. 25033-40. Tfolc oec van iherusalem. / Ende vremde die ten paschen quamen. / Ende die kinder alle te samen. / Quamen ieghen hem vd. / Die achter quamen maecten ghelud. / Met luder stemmen voren ende na. / Jn ebreusch songhen si osanna. / Dauids sone ghebenedijt. (Ook de inwoners van Jeruzalem en de vreemdelingen die het paasfeest kwamen vieren, tesamen met alle kinderen, liepen hem tegemoet. Degenen die achteraan kwamen lieten zich met luide stemmen horen. In het Hebreeuws zongen zij ‘Hosanna, gezegend de zoon van David’.)

Gebruiksvoorbeeld: Steeds door die stegen, sneller steeds, heel vlug, / En zagen eensklaps een bekende brug! / Hosannah zingend zijn we ineengezegen. (G. Komrij, Alle gedichten tot gisteren, 1994 (Het labyrint, 1975), p. 219)

Gebruiksvoorbeeld: [Ronald Koeman na kritiek op een voetbalwedstrijd met ongunstige uitslag:] Het kan niet altijd hosanna zijn. (Veronica-televisie, 23-6-1999)

Gepubliceerd op 11-05-2017