Hooglied betekenis & definitie

Hooglied, bijbelboek uit het oude testament dat uit bruiloftsliederen bestaat; (fig.) loflied.

De Latijnse benaming van dit bijbelboek is een rechtstreekse weergave van de Hebreeuwse, en luidt Canticum canticorum ‘lied der liederen’, ook wel verkort tot Cantica ‘liederen’. Onder invloed van de Luthervertalingen is de naam Hoge Lied ontstaan. Deze vorm treft men nog in de oudste drukken van de Statenvertaling (1637) aan; later werd de samenstelling Hooglied gangbaar. Zo ziet men het boek onder andere al aangehaald bij Wolff en Deken (eind 18e eeuw). Een enkele maal wordt het woord, al of niet in ironie, als ‘loflied’ in het algemeen gebruikt.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), titel. Hier begint dat hooge liet Salomo.

Bijbelcitaat: Leidse vertaling (1899-1912), titel. Het hooglied van Salomo.

Gebruiksvoorbeeld: Zo’n lekkere kuitenbijter op ’n fiets, die spreekt tot ’t hart van ’t volk, die zingt het hooglied der zinnen en jubelt de hymne van dij en achterwerk [namelijk een wielrenner]. (G. Bomans, Adviezen van een oude rot & ander sportief proza, 1988, p. 121)

Gebruiksvoorbeeld: Dat is eigenlijk het enige dat hem [de hoofdpersoon in Kellendonks Mystiek Lichaam] nog wacht, verval en dood, het is het enige dat nog houvast geeft, en hij eindigt daarom met een ‘hoogliedje’. Niet op het leven, maar op de dood. (NRC, 5-3-1999, p. 31)

Gepubliceerd op 11-05-2017