Hond betekenis & definitie

Een hond keert terug tot zijn eigen braaksel, men vervalt weer in zijn oude zonden.

Dit beeld wordt het eerst als vergelijking genoemd in Spreuken 26:11, ‘Zoals een hond terugkeert naar zijn eigen braaksel, / zo herkauwt een dwaas zijn dwaasheid’ (NBV). Petrus verwijst naar dit spreekwoord dat volgens hem ‘volledig van toepassing is’ in zijn tweede brief, 2:22, in een passage over dwaalleraars, en laat hem volgen door een parallelle vergelijking: ‘Een gewassen zeug rolt al snel weer door de modder’ (NBV). Deze tweede verbinding is niet bekend bij ons; de eerste wordt overigens ook niet frequent gebruikt.

Bijbelcitaat: Statenvertaling (1637), 2 Petrus 2:22. De hondt is weder-keert tot sijn eygen uytbraecksel: ende, De gewasschene seuge tot de wentelinge in het slijck.

Gebruiksvoorbeeld: [Gesprek in een café:] ‘Wat dat wij hier missen in dit land, is de geest, de geest!’ Waarop Felix de Kat meesmuilerig zegt: ‘Hoe groter geest, hoe groter beest.’ Frans de Hollander die Felix de Kat háát, zegt lijzig: ‘En de kleinste honden keffen het meest.’ Felix de Kat snauwt: ‘Een Hollandse hond keert terug naar zijn eigen braaksel.’ Enfin, ge voelt het, de geest waait in den Eenhoorn. (H. Claus, Het verlangen, 1978, p. 8)

Gebruiksvoorbeeld: [Schrijver leest liever niet in zijn eerdere werk als hij aan een boek bezig is:] Je bent al schrijvende toch al een hond die naar z’n eigen braaksel terugkeert. (Trouw, 4-5-1996)

Gepubliceerd op 11-05-2017