Halleluja betekenis & definitie

Halleluja, alleluja, (lett.:) looft de Heer; uitroep van lofprijzing en vreugde; (ruimer, ook ironisch) uiting van enthousiasme en blijdschap.

Zeer veelvuldig worden lofprijzingen, onder andere in de Psalmen, met deze uitroep afgesloten. Vooral als naam van een misgezang, een lofprijzing, werd alleluja in het Middelnederlands bekend. Buiten godsdienstig gebruik wordt de uitroep tegenwoordig wel toegepast in situaties van grote blijdschap of enthousiasme, mogelijk ook van triomf. Dit laatste klinkt door in de (eenmaal aangetroffen) samenstelling halleluja-verhaal, door kamerlid Paul Rosenmöller gebruikt om een zijns inziens ten onrechte juichend klinkend betoog van een collega-kamerlid te bekritiseren (Tweede Kamer, nov. 1995).

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Psalmen 150:6. Alle wat aseme heeft, loue den HERE. Haleluia.

Gebruiksvoorbeeld: Snel daarna stonden de Engelse popbladen vol met verhalen over deze kwade meiden en voor de zoveelste keer werd hallelujah gekraaid. Eindelijk gebeurde er echt iets vernieuwends binnen de popmuziek. (Playboy, 1995, nr. 5)

Gebruiksvoorbeeld: Het evenwicht wordt op tijd hervonden. Eind goed, al goed. Achter de wolken schijnt altijd de zon. Halleluja. (NRC, 27-8-1999, p. 35)

Gepubliceerd op 11-05-2017