Gezalfde betekenis & definitie

Gezalfde (des Heren), eretitel voor de koning van Israël of diens erfgenaam; (fig.; ironisch) gezagsdrager met goddelijke opdracht; christelijke politicus of bestuurder.

De priesters en koningen van Israël werden door zalving tot hun ambt gewijd als teken van hun uitverkiezing voor die functie door God. De gezalfde is dan ook een titel die bij uitstek die goddelijke bestemming uitdrukt. In de volgende passage is het woord op koning David van toepassing: ‘Hij [God] schenkt zijn koning grote overwinningen, betoont zich trouw aan zijn gezalfde, aan David en zijn nageslacht, voor altijd’ (Psalmen 18:51, NBV). Nu wordt de titel wel spottenderwijs gebruikt voor gezagsdragers die hun goddelijke roeping niet ten volle waarmaken.

Bijbelcitaat:Liesveldtbijbel (1526), 1 Samuël 24:7. Dat late die HERE verre van mi sijn dat ic dat doen soude, ende mijn hant slaen aen minen heere, den gesalfden des HEREN.

Bijbelcitaat: Statenvertaling (1637), Psalmen 18:51. Die [...] goedertierenheyt doet aen sijnen gesalfden, aen David.

Gebruiksvoorbeeld: Ze bleef in de duisternis naast de herberg en keek haar ogen uit naar de gezalfden der heren, met hun pelsmantels hun rijtuigen en hun luxepaarden. (L.P. Boon, De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren, 1980 (1953/1956), p. 81)

Gebruiksvoorbeeld: Na een maandenlange wittebroodstijd in de opiniepeilingen is hij [Balladur] dit voorjaar met een paar fikse dreunen op aarde geland. De gezalfde, de bestuurder met de schone handen, staat met het zweet op het voorhoofd. Zijn onmacht is geen geheim meer. (NRC, apr. 1994)

Gepubliceerd op 11-05-2017