Geldzucht betekenis & definitie

Geldzucht, geldgierigheid e.d. is de wortel van alle kwaad, gierigheid, geldzucht ligt ten grondslag aan alle andere ondeugden. Ook met als onderwerp geld, hebzucht e.d.

Deze uitspraak doet Paulus in 1 Timoteüs 6:10, in een betoog tegen de rijkdom ‘Wij hebben voedsel en kleren, laten we daar tevreden mee zijn’, zegt hij enkele verzen eerder (vers 8). ‘Geldzucht brengt mensen van hun geloof af en bezorgt hun slechts veel leed’ (vers 10; beide NBV). De

gierigheid in de oude vertalingen betekende ‘geldzucht, hebzucht’.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), 1 Timoteüs 6:10. Want giericheit is een wortel alles quaets, Welke den zommigen heeft gelustet, ende zijn vanden gheloue ghedwaelt.

Gebruiksvoorbeeld: ‘De heiden’ was rijk. Iedere zaak had twee kanten. Neen, ze begreep het niet. En aldoor galmde de stem, zeurden de woorden Gods langs haar heen. Tot ineens een woord haar greep. ‘En geldgierigheid is de wortel van alle kwaad.’ (B. de Graaff, Het geslacht Van Garderen, 1974 (1951/1953), p. 30)

Gebruiksvoorbeeld: Karl Marx ontdekte dat de wereld gefnuikt werd door bezitsverhoudingen. De hemel op aarde kon pas aanbreken wanneer niemand meer iets had en iedereen alles. Persoonlijk bezit was de wortel van het kwaad. (NRC, 3-12-1999, p. 30)

Gebruiksvoorbeeld: En geen van die gasten die geld bij zich had of juwelen of ringen, want geld is de wortel van al het kwaad, zegt de Profeet. Of was dat iemand anders? (H. Claus, De Geruchten, 1997, p. 60)

Gepubliceerd op 11-05-2017