Dief betekenis & definitie

Als een dief in de nacht, heimelijk, onopgemerkt; volkomen onverwacht.

Paulus en Petrus waarschuwen beiden dat de dag des Heren, de oordeelsdag, als een dief in de nacht zal komen, dus zonder dat iemand erop bedacht is. ‘U weet zelf maar al te goed dat de dag van de Heer komt als een dief in de nacht. Als de mensen zeggen dat er vrede en veiligheid is, worden ze plotseling getroffen door de ondergang’ (1 Tessalonicenzen 5:2-3, NBV; zie ook 2 Petrus 3:10). Deze vergelijking vinden we al in het zestiende-eeuwse Nederlands, onder andere bij Coornhert. In het moderne Nederlands wordt zij toegepast op alles wat zich in het verborgene of onverwacht voltrekt.

Bijbelcitaat: Deux-Aesbijbel (1562), 2 Petrus 3:10. Maer de dach des Heeren sal komen als een Dief inder nacht.

Gebruiksvoorbeeld: Postma speelde Johan Wever aan en als een dief in de nacht sloop Wever langs z'n directe tegenstander om driftig uit te halen. Vanaf de zestienmeterlijn spoot de bal achter doelman Ronald van de Kraan: 0-1. (Meppeler Courant, sept. 1994)

Gebruiksvoorbeeld: [Over Europese steun aan het NAVO-dubbelbesluit inzake kernwapens:] Niet eens als dieven in de nacht, maar voor het oog van het volk schenden zij [de Europese regeringen] geest en letter van de grondwet door soevereiniteit uit handen te geven. (W.L. Brugsma, Europa Europa, 1983, p. 171)

Gebruiksvoorbeeld: ‘Wat heb ik u misdaan?’ ‘Gij niks.’ ‘Wie dan wel?’ ‘Wie denkt ge?’ ‘Ge gaat hiervoor boeten,’ zegt Alma bitter. ‘Begin maar.’ ‘Wanneer ge ’t minst verwacht.’‘Lijk een dief in de nacht?’ ‘Wacht maar’. (H. Claus, De Geruchten, 1997, p. 112)

Gepubliceerd op 11-05-2017