Diaspora betekenis & definitie

Diaspora, (lett.) verstrooiing; de verdrijving uit eigen land of streek met daarop volgend de verspreiding over andere gebieden van een volk of bevolkingsgroep; ook: de buiten hun oorspronkelijke woongebied wonende volken of bevolkingsgroepen. In oorsprong toegepast op het joodse volk, later ook op anderen. Zie ook Verstrooiing.

Het Griekse woord diaspora is afkomstig uit de Septuaginta, de Griekse bijbelvertaling van het O.T. die enkele eeuwen voor Christus vervaardigd werd. Op de desbetreffende plaats, Deuteronomium 28:25, voorzegt Mozes de toekomst van het volk dat God niet gehoorzaam is: ‘De HEER zal de overwinning aan uw vijanden schenken: als één man gaat u op hen af, maar naar alle kanten zult u uiteenstuiven’ (NBV). Op deze plaats wordt het begrip ‘verstrooiing’ in de Nederlandse vertalingen, alsook in de Vulgaat, slechts omschreven. In het Nieuwe Testament is van de equivalent verstrooiing sprake in Jakobus 1:1, waar de apostel zich richt tot de verspreid wonende christenen. Sinds de Babylonische ballingschap is het verstrooid of verspreid wonen een belangrijk element in de geschiedenis van het joodse volk, tot in onze tijd.

Het woord diaspora is pas recent, sinds het begin van de twintigste eeuw, in gebruik geraakt in het algemene Nederlands, mogelijk onder invloed van de ons omringende talen, waar we het sinds het einde van de vorige eeuw aantreffen. Eerst nog met betrekking tot het joodse volk, later ook tot andere volken die zich verspreiden en zelfs tot personen van een bepaalde overtuiging die zich buiten hun eigen kring bevinden.

Gebruiksvoorbeeld: Twaalf daarvan [van de 127 parlementszetels] worden voorbehouden aan vertegenwoordigers van de diaspora, etnische Kroaten in het buitenland.

Het zetelaantal voor de Servische minderheid valt terug van 12 op 3. (De Standaard, okt. 1995)

Gebruiksvoorbeeld: De CVP gooit het over een heel andere boeg. Zij werkt meer in de diepte voor het wederaantrekken van de kristen-demokratische diaspora. (De Standaard, nov. 1995)

Gebruiksvoorbeeld: Antisemitisme is, grof geschetst, te herleiden tot twee dingen: (1) [...]. (2) Jaloezie over het aantoonbare feit dat veel joden in de diaspora, temidden van andersgezinden, in goeden doen raakten. (De Volkskrant, 6-11-1999, p. 5R)

Gepubliceerd op 11-05-2017