Diaken betekenis & definitie

Diaken, (lett.) dienaar; functionaris in de eerste christelijke gemeenten; thans naam voor verschillende ambtsdragers in de christelijke kerken, t.w. voor iemand met een lagere wijding, die bepaalde liturgische taken vervult (rooms-katholieke kerk) en voor iemand die belast is met sociale zorg, vroeger armenzorg (protestantse kerk).

Paulus geeft in 1 Timoteüs 3 voorschriften voor opzieners en diakenen, functionarissen in de christelijke gemeente. In de verzen 8-13 eist hij van de diakenen een onberispelijke levenswandel, onder andere: ‘Ook een diaken moet zich waardig gedragen. Hij moet oprecht zijn, mag niet overmatig veel wijn drinken en niet hebzuchtig zijn’ (NBV). Het woord diaken is via Latijn diaconus ontleend aan Grieks diakonos, en werd al in het Middelnederlands uit het Kerklatijn ontleend. De Nederlandse bijbelvertalingen zijn dan ook zeker niet de enige bron voor het moderne gebruik van dit woord.

Er zijn vele afleidingen en samenstellingen bij diaconus gevormd, waarvan wij slechts noemen diaconie, diaconaat, diacones, vooral nog bekend als kerkelijke termen.

Bijbelcitaat: Leuvense Bijbel (1548), 1 Timoteüs 3:8. Die Diakenen moeten desghelijcs ooc wesen eerbaer, niet met twee tonghen sprekende, niet ghewent veel wijns te drincken, niet ghierich nae eenich scandelijck ghewin.

Gebruiksvoorbeeld: Eykens wijst op de gemeenschappelijke doopselvieringen en stipt aan dat ook huwelijken en uitvaarten valabel kunnen worden gevierd zonder eucharistie en met een diaken als voorganger. (De Standaard, nov. 1995)

Gebruiksvoorbeeld: [Zekere jubilaris was] lid van het Kerkkoor IJhorst-De Wijk (1962-1990), waarvan van 1962-1968 secretaris en van 1975-1990 voorzitter, en diaken van de Nederlandse Hervormde Kerk IJhorst-De Wijk van 1970-1982. Tot heden is Hester nog lid van deze kerkvoogdij. (Meppeler Courant, nov. 1993)

Gepubliceerd op 11-05-2017