Alfa betekenis & definitie

Alfa en omega, letters uit het Griekse alfabet; (fig.) begin en einde; het allesomvattende; alle aspecten.

Alfa en omega zijn de eerste en laatste letter van het Griekse alfabet. Deze symboliek werd voor onze jaartelling al in joodse kringen uitgedrukt door de Hebreeuwse letters aleph en tav, in aansluiting bij de oudtestamentische uitspraak in Jesaja 44:6: ‘Ik ben de eerste en de laatste, er is geen god buiten mij (NBV). In de Liesveldtbijbel (1526) worden de lettertekens A en O gebruikt, waardoor de zin van de beeldspraak daar niet duidelijk is voor niet-ingewijden. Het equivalent dat bij het Nederlandse alfabet aansluit vindt men in van a tot z. Naar het lidwoord van ‘het begin en het einde’ wordt de verbinding ook vaak met het onzijdig lidwoord het gebruikt.

Bijbelcitaat: Statenvertaling (1637), Openbaring 1:8. Ick ben de Alpha ende de Omega, het begin ende het eynde, seght de Heere. (Eerder in de Deux-Aesbijbel (1562) als de lettertekens  en .)

Gebruiksvoorbeeld: Hier moet het altijd allemaal op neerkomen, hierom draait hun hele bestaan, dit is waaraan ze de ganse dag denken, dit stelt het alfa en het omega van het menselijk streven voor, grijns en snork en wetende knipoog, dit is wat haar vader naar de Sprinkhaan doet loeren zodat Mama totaal vergeten naast hem zit en zich bevuilt zonder dat hij het merkt. (R. Dorrestein, Een nacht om te vliegeren, 1987, p. 73)

Gebruiksvoorbeeld: Het alfa en omega van de oplossing van talloze maatschappelijke problemen [ligt] bij de school. (De Standaard, dec. 1995)

Gepubliceerd op 11-05-2017