Adderengebroed betekenis & definitie

Adderengebroed, jongen van een adder; (fig.) scheldnaam voor mensen die niet deugen, slecht volk; ironisch ook voor iemands kinderen.

Slangen zijn in bijbelse context het symbool van het kwaad; hun voortbrengselen kunnen dus alleen maar slecht zijn. In de vorm aderen ghebroetsel komt het woord al in de Deux-Aesbijbel (1562) voor. Er zijn eertijds serieuze discussies geweest of dit woord wetenschappelijk wel juist was; volgens moderne inzichten werden jongen van adderen immers niet uitgebroed. Maar de WNT-redacteur die hiervan in 1867 melding maakt, vond het woord wel passend, want het sloot aan bij het gebruik door het volk van gebroed(sel) voor de gezamenlijke jongen van dieren, vooral als het, ook overdrachtelijk, minachtend bedoeld was.

Bijbelcitaat: Leidse vertaling (1899-1912), Lucas 3:7. En hij zeide tot de scharen die uitliepen om door hem gedoopt te worden: Adderengebroed! Wie heeft u gezegd dat gij aan het aanstaand strafgericht zoudt ontkomen? (In de vorm -gebroedsel in de Statenvertaling, 1637).

Gebruiksvoorbeeld: Ha, de volgende keer sla ik ze de hersens in, dat adderengebroed, die koters van jullie. (O. de Jong, Opwaaiende zomerjurken, 1986 (1979), p. 230)

Gebruiksvoorbeeld: Mijn ouderlijk huis, Chrissie, woon ik nog, met mijn eigen adderengebroed.Wat doe ik hier; wat heb ik te zoeken in Merbaboe. Zijn hoofd gloeide en hij had felle krampen in zijn buik en bleef in elkaar gekrompen zitten terwijl Otto uitstapte. ‘Kom nou Chrissie, wil je mijn adderengebroed niet zien’? (F. Springer, Bandoeng-Bandung, 1993, p. 133)

Gepubliceerd op 11-05-2017