Wat is de betekenis van zwak?

2024-02-28
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

zwak

zwak - Bijvoeglijk naamwoord 1. tekortkomend in kracht of vaardigheid 2. taalk. (Germaanse werkwoorden) een verleden tijd vormend met een dentaal achtervoegsel Reizen-reisde-gereisd is een zwak werkwoord, rijzen-rees-gerezen een sterk''. 3. taalk. (Germaanse naamwoo...

2024-02-28
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

zwak

zwak - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord 1. zonder veel kracht ♢ ze kan dat niet tillen, ze is nog erg zwak 1. een zwak argument [niet overtuigend] 2. zwak staan...

2024-02-28
Bridge Opzoekboek

drs. Toine van Hoof (2017)

zwak

1. Van een hand: weinig honneurpunten bevattend. 2. Van een (lange) kleur: zonder honneurs of met slechts een enkele honneur. 3. Van een bieding: (relatief) weinig honneurpunten aangevend. Zie ook: naar het zwak toe spelen; sterk

2024-02-28
Woordenlijst leerling en leerkracht

WizWijs (2017)

zwak

Zwak is het laagste niveau waarop een leerling kan scoren op de voortgangstoets. De andere niveaus zijn basisniveau en plusniveau. Als een leerling zwak scoort, krijgt hij of zij herinstructie en gaat daarna verder met oefeningen op hetzelfde niveau als voor de toets.

Wil je toegang tot alle 15 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-28
Brabants Handwoordenboek

Prof. dr. Jos Swanenberg (2015)

zwak

(bn) lenig BM.

2024-02-28
Financieel Woordenboek

Frits Conijn & R.M. van Poll (2003)

zwak

zwak - Term om de stemming op een beurs mee aan te geven: op een zwakke beurs dalen de koersen geleidelijk.

2024-02-28
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

zwak

Van pers. (en dieren): lenig, flink; - ook m. betr. t. de verstandelijke vermogens: snel reagerend, schrander, vlug, bijdehand; soms bep.: leep, geslepen; vaak in zelfst. gebr.: een wakke, vluggerd, geslepen vos. Groteva was nog heel zwak voor zijn leeftijd; die kon turnoefeningen doen waar wij niet tegen op kunnen, Gehoord te Boom me...

2024-02-28
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Zwak

adj. & adv., swak, slop, tear; (ziekelijk), miepsk, meepsk, gammel; — zijn, net folie wêze, tsjin ’e wal oanhingje, byinoar hingje as stopjern, och sa’n bytsje wêze; ergzijn, amper sydwyn(s), mar krekt healwyn gean kinne; -ker worden, minderje, minder wurde; &mdash...

2024-02-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Zwak

1. bn. bw. (-ker,-st), 1. gering van kracht, van lichaamsvermogen, niet sterk: zwak als een kind; zwak van ouderdom ; het zwakke geslacht, de vrouwen ; — de zieke is nog zwak op zijn benen, hij kan nog niet goed staan, lopen; — ook van de krachten zelf gezegd: zo veel zijn zwakke krachten veroorloofden...

2024-02-28
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

zwak

1 bn., bw.; zwakker, zwakst (1 niet-sterk, zonder kracht, met weinig weerstand; 2 zonder innerlijke, zedelijke kracht; 3 niet goed op de hoogte; 4 v. e. toestand: niet gunstig; 5 v. geluiden: niet luid, hard; 6 v. licht: niet helder; 7 Z.-N. lenig): 1 een zwak kind; de zieke is nog zwak; een zwakke maag; een zwakke verdediging; de zwakke bezetting...

2024-02-28
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

zwak

I. bn. en bw. (-ker, -st) 1. met weinig krachten, teer : lichamelijk, geestelijk, zedelijk -. → geest. Syn. → krachteloos. 2. niet geheel hersteld na een ziekte : hij is nog -. 3. met niet veel weerstandsvermogen : een -ke borst. → zenuw. 4. niet alles goed verterend : een -ke maag. 5. wankelend : een -ke gezondheid; het staat me...

2024-02-28
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

zwak

I. bn. en bw. (-ker, -st), 1. gering van kracht, van lichaamsvermogen: de zieke is nog op zijn benen, hij kan nog niet goed staan, lopen; 2. (sociaal) niet draagkrachtig: de economisch zwakkeren; 3. niet veel kunnende presteren; niet scherp: van gehoor; met zwakke stem; een zwakke pols, die nauwelijks waarneembaar klopt; een geheugen, dat snel verg...

2024-02-28
Keur van Nederlandsche woordafleidingen

J.Pluim (1911)

Zwak

met invoeging van w, zie Zoel, van ziek, z. d. w.

2024-02-28
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Zwak

Het begrip zwak heeft 2 verschillende betekenissen: 1. zwak - ZWAK - 1. ZWAK, bn. bw. (-ker, -st), niet sterk, krachteloos, teer: een zwak kind; zwak van ouderdom; het zwakke geslacht, de vrouwen; — nog niet geheel hersteld van eene ziekte: de zieke is nog zwak op zijne beenen, hij kan nog niet goed staan, loopen; het kind heeft zwakke bee...

2024-02-28
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Zwak

Zwak, bn. en bijw. (-ker, -st), niet sterk, krachteloos, teêr; nog niet geheel hersteld (van eene ziekte); broos, ligt breekbaar; buigzaam; ligt te overhalen, al te toegevend; slap; ziekelijk; (fig.) de -ke zijde, zie op ZIJDE. *-, o. gmv. gewoonte, hebbelijkheid; dit is zijn -, hieraan is hij overgegeven. *-HEID, v. gmv. gemis van sterkte, -...