Synoniemen van Zwager

2019-10-21

Zwager

Een zwager is een aangetrouwd mannelijk familielid, ook wel schoonbroer genoemd. Trouwt een vrouw met een man, dan is die man de zwager van de broer van de vrouw. Daarnaast wordt ook de broer van iemands partner als zwager aangewezen. Een zwager is altijd een aangetrouwd familielid. De zwager komt van de koude kant en is dus geen bloedverwant. Het is de broer van iemands partner of de echtgenoot van iemands zus of broer. Andere aangetrouwde familielieden zijn onder andere de schoonzus, schoonmoe...

2019-10-21

Zwager

zijn - een hand geven, slanguitdr. (vaak ook als eufemisme) voor ‘urineren’. Vgl. Engels slang to shake hands with the wife’s best friend. Ik bleef net zo lang op dat schijthuis zitten tot er op de deur werd gebonsd en ik plaats moest maken voor een ander die moest bouten of z’n zwager een hand kwam geven. (Haring Arie: Tweede Boek, 1969) Toen hij effe z’n zwager een jat most geven, zei die poot tegen mij: ‘Arie, je bent een toffe gozer...’ (Haring Arie: Recht voor z’n Raap, 197...

2019-10-21

zwager

aangetrouwde broer van iemand, hetzij als echtgenoot van een zus van die persoon, hetzij als broer van zijn echtgenote of haar echtgenoot; in het geval van een gelijkslachtig huwelijk ook hetzij als echtgenoot van een broer van die persoon, hetzij als broer van zijn echtgenoot of haar echtgenote

2019-10-21

zwager

zwager - zelfstandig naamwoord uitspraak: zwa-ger 1. broer van de man of vrouw met wie je getrouwd bent ♢ de zwager van Coby heet Jos 2. man met wie je zus getrouwd is ♢ mijn zwager heet Jasper Zelfstandig naamwoord: zwa-ger de zwager de zwagers

2019-10-21

zwager

Man die samen met andere mannen seksuele gemeenschap heeft met dezelfde vrouw. In plat taalgebruik vroeger een ‘buikzwager’ en sedert de jaren zestig van de twintigste eeuw ook ‘kutzwager’ genoemd. Oude zeventiende- en achttiende-eeuwse kluchten leveren tal van voorbeelden. Je bent een Hoeren-Jaeger; Je hebt soo meen’gen zwaeger Als hayren op je hooft, Om een nacht by te slaepen, Hebje de eer ontrooft Aen, ’t geenje selfs had geschaepen. V. Overbeke: Rym-wercken (met de Reys-bes...

2019-10-21

zwager

zwager - Zelfstandignaamwoord 1. (familie) de echtgenoot van een broer of zus of de broer van een echtgenote Synoniemen (Vlaams) schoonbroer

2019-10-21

ZWAGER

ZWAGER, m. (-s), schoon-, behuwdbroeder; zustersman, mans-, vrouwsbroeder. ZWAGERTJE, o. (-s).