Wat is de betekenis van Zwager?

2021
2021-06-22
Redactie Ensie

Schrijver op Ensie

Zwager

Een zwager is een aangetrouwd mannelijk familielid, ook wel schoonbroer genoemd. Trouwt een vrouw met een man, dan is die man de zwager van de broer van de vrouw. Daarnaast wordt ook de broer van iemands partner als zwager aangewezen. Een zwager is altijd een aangetrouwd familielid. De zwager komt van de koude kant en is dus geen bloedverwant. Het...

Lees verder
2020
2021-06-22
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

zwager

aangetrouwde broer. aangetrouwde broer van iemand, hetzij als echtgenoot van een zus van die persoon, hetzij als broer van zijn echtgenote of haar echtgenoot; in het geval van een gelijkslachtig huwelijk ook hetzij als echtgenoot van een broer van die persoon, hetzij als broer van zijn echtgenoot of haar echtgenote. Voorbeelden: Die...

Lees verder
2019
2021-06-22
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

zwager

zwager - Zelfstandignaamwoord 1. (familie) de echtgenoot van een broer of zus of de broer van een echtgenote Synoniemen (Vlaams) schoonbroer

Lees verder
2018
2021-06-22
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

zwager

zwager - zelfstandig naamwoord uitspraak: zwa-ger 1. broer van de man of vrouw met wie je getrouwd bent ♢ de zwager van Coby heet Jos 2. man met wie je zus getrouwd is ♢ mijn zwager heet Jasper...

Lees verder
2004
2021-06-22
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

zwager

Man die samen met andere mannen seksuele gemeenschap heeft met dezelfde vrouw. In plat taalgebruik vroeger een ‘buikzwager’ en sedert de jaren zestig van de twintigste eeuw ook ‘kutzwager’ genoemd. Oude zeventiende- en achttiende-eeuwse kluchten leveren tal van voorbeelden. Je bent een Hoeren-Jaeger; Je hebt soo meen’gen zwaeger Als hayren op je h...

Lees verder
1998
2021-06-22
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Zwager

zijn - een hand geven, slanguitdr. (vaak ook als eufemisme) voor ‘urineren’. Vgl. Engels slang to shake hands with the wife’s best friend. Ik bleef net zo lang op dat schijthuis zitten tot er op de deur werd gebonsd en ik plaats moest maken voor een ander die moest bouten of z’n zwager een hand kwam geven. (Haring Arie: Tweede Boek, 1969) Toen hij...

Lees verder
1977
2021-06-22
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

zwager

zwager - penis (vgl. andere namen voor familiebetrekkingen als broer (ENDT)).

1973
2021-06-22
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

zwager

m. (-s), schoon-, behuwdbroeder, hetzij mans-, vrouwsbroeder of zustersman.

1952
2021-06-22
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Zwager

s., sweager.

1950
2021-06-22
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Zwager

m. (-s), 1. schoon-, behuwdbroeder, hetzij mans-, vrouwsbroeder of zustersman ; 2. (eert.) schoonzoon ; ook schoonvader. ZWAGERTJE, o. (-s).

Lees verder
1919
2021-06-22
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Zwager

mnl. swagher, nu aangehuwde broeder, vroeger ook schoonzoon en schoonvader; ohd. swâgur (nhd. Schwager) = zwager, doch ook = andere aanverwant; ofri. swager = schoonzoon. Verwant ermede is ook het mnl. sweer — schoonvader, ohd. swëhur, nhd. Schwaher, ags. swëor, go. swaihra, lat. socer, grie. hekuros en het vr. sWegher, go. sw...

Lees verder
1898
2021-06-22
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ZWAGER

ZWAGER, m. (-s), schoon-, behuwdbroeder; zustersman, mans-, vrouwsbroeder. ZWAGERTJE, o. (-s).