Wat is de betekenis van zwaar?

2022
2022-08-19
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

zwaar

1) (1976) (sold.) zware straf; zwaar arrest. • Deze onschuldige handeling kost hem vijf dagen zwaar. (Fons Burger: Soldaten in het geweer. 1976) • Ik dacht dat het vijf voor elf was, we hebben nog een uur. Tien voor elf op z”n laatst moeten we weg. Anders krijgen we gelijk drie dagen zwaar. (Jan Vermeulen: Vechten in Veenendaal. 20...

Lees verder
2019
2022-08-19
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

zwaar

zwaar - Bijvoeglijk naamwoord 1. van groot gewicht 2. van grote moeilijkheidsgraad evolutie vindt plaats als de dieren het zwaar hebben Antoniemen licht

Lees verder
2018
2022-08-19
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

zwaar

zwaar - bijvoeglijk naamwoord 1. met veel gewicht ♢ deze koffer is zwaar 1. er zwaar aan tillen [het als een groot bezwaar zien] 2. wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen...

Lees verder
1998
2022-08-19
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Zwaar

1. een zware/lelijke pijp roken, gezegd wanneer iets iemand zuur zal opbreken, wanneer hij iets onaangenaams zal ondervinden. De uitdr. is al vrij oud (o.a. terug te vinden bij Stoett). Een zware pijp roken is homoslang voor ‘fellatio beoefenen op een groot lid’. Als we in triomf de Gordel van Smaragd hadden bevrijd van een inktzwarte vijand. Dan z...

Lees verder
1998
2022-08-19
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

zwaar

Van een hand: relatief veel punten bevattend. De term ‘zwaar’ wordt vooral gebruikt wanneer de kracht van de hand in het bieden nog onvoldoende tot uitdrukking is gebracht (onderbieden). Ook een bieding kan ‘zwaar’ zijn, bijvoorbeeld een opening van één in een kleur op twintig punten of een ‘pas’ met negen punten op een 1SA-opening (15-17) van de p...

Lees verder
1977
2022-08-19
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

zwaar

zwaar - zwanger (vgl. vol.)Rits Aaltje wiert met kindt door haar ontugtig leven ... S’is klein, en zy gaat groot, 't is zwaar, en zy is ligt, Koddige Opschriften I, 67 [1698-1700].

1973
2022-08-19
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

zwaar

bn. en bw. (-der, -st), 1. veel wegend: lood en goud zijn -; dat schip is geladen, met een zware last; 2. stevig, dicht, dik: — linnen; (bouwkunst) zware wapening, wapening met veel staal; het zware wapen, de artillerie; zware wapens, met grote uitwerking; — geschut, grof geschut (ook fig.); de grond bemesten, er veel meststof inbrenge...

Lees verder
1954
2022-08-19
Medisch Encyclopedie 1954

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Zwaar

noemt men ook atomen, wier kern een groter aantal neutronen bevat dan normaal; zie cyclotron, deuteron, isotopen, periodiek systeem.

1952
2022-08-19
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Zwaar

adj. & adv., swier; (van gewicht) leadich, pounich; — zijn, oanweage, der hinne, der yn, der op ta weage; niet erg —, net oerswier; -der worden, oanswierje; (van arbeid), dreech, bloedich; eenwerk, in dreech karwei, in drege put in hiele hys; zware arbeid, leabr...

Lees verder
1950
2022-08-19
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Zwaar

bn. bw. (-der, -st), 1. onderworpen aan de zwaartekracht, wegende, bep. zoveel als een bep. noemt: alle lichamen zijn zwaar; tien pond zwaar; hoe zwaar is dat stuk?) het is te zwaar; — fig.: zij wilden weten hoe zwaar ik was, hoeveel geld ik (bij mij) had : 2. betrekkelijk veel wegende: lood en goud zijn zwaar...

Lees verder
1937
2022-08-19
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

zwaar

zwaarder, zwaarst 1 bn., bw. (1 veel gewicht hebbend, het tegengestelde van licht; 2 zoveel gewicht hebbend, als de bepaling uitdrukt; 3 van geschut enz.: grof; 4 van soldaten: met zware wapenen; 5 van stoffen: dik; 6 van alcohol, sigaren: sterk; 7 groot, aanzienlijk; 8 ernstig; 9 moeielijk; 10 streng, hard): 1 een zware last; zegsw. zo zwaar als l...

Lees verder
1898
2022-08-19
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ZWAAR

ZWAAR, bn. bw. (-der, -st), zwaartekracht hebbende: alle lichamen zijn zwaar; tien pond zwaar; hoe zwaar weegt gij?; — betrekkelijk veel wegende: lood en goud zijn zwaar; een zware last; zwaar geschut, grof geschut; een zwaar gewicht; zwaar geld, groote geldstukken, groote geldsommen; dat schip is zwaar geladen, met een zwaren last; —...

Lees verder
1898
2022-08-19
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Zwaar

zie Hard.

1856
2022-08-19
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Zwaar

b.n. - Groot, plomp, wijd. Zwaar schip (wijd schip, schip van grooten omvang.) Zwaar weer (stormweer.) Zwaare bui (hevige wind.) Zwaare zee (hooge zee.) Dat schip rijst zwaar, valt zwaar in zee (verheft zich moeilijk uit de zee) Zwaare batterij (van zwaar kaliber). Het zwaar (anker)touw, Een zwaar anker.

Lees verder