Wat is de betekenis van Zuil?

2019
2021-08-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

zuil

zuil - Zelfstandignaamwoord 1. vrijstaand dragend bouwkundig object met grote lengte en beperkte ronde doorsnede 2. groep mensen die binnen een samenleving verenigd zijn door hun religieuze of politieke overtuiging De twintigste-eeuwse Nederlandse samenleving was opgedeeld in vier grote zuilen: de ka...

Lees verder
2018
2021-08-04
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

zuil

zuil - zelfstandig naamwoord 1. stenen paal, die dient om een gebouw te ondersteunen ♢ het portaal rustte op twee zuilen 1. de zuilen in de maatschappij [verschillende groeperingen, met een eigen godsdienst]...

Lees verder
2016
2021-08-04
NVDO

Begrippenlijst NVDO

Zuil

Een zuil is een kolom of drager met een schacht, die op een voetstuk of basement rust en bekroond wordt door een kapiteel.

2002
2021-08-04
Funerair Lexicon

Encyclopedisch woordenboek over de dood (2002)

Zuil

Een gebroken zuil is het symbool van het einde, het afgebroken leven. Een gebroken zuil bedekt met een rouwldeed wordt 'een gesluierde zuil' en ook wel 'een gesluierde dame' genoemd....

Lees verder
2002
2021-08-04
Lexicon voor de kunstvakken

Verklaringen van woorden die gebruikt worden in teksten over kunst.

zuil

Een zuil is een onderdeel van een bouwwerk dat voor ondersteuning zorgt in de vorm (1) van een kolom, bijv. een pilaster of pijler; zie ook zuilenorde.

1981
2021-08-04
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

zuil

zie Griekse kunst; ook pijler.

1973
2021-08-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

zuil

v./m. (-en), 1. elk rechtopstaand lichaam van aanmerkelijk groter lengte dan breedte; (meetkunde) prisma; (bouwkunde) elk rechtopstaand draaglichaam, vnl. een vrijstaand rolrond of vierkant lichaam (pijler) van hout of steen, kolom (e); de zuilen van Herakles, de Straat van Gibraltar; (ook) een gedenkzuil (dus zonder dragende functie): een borstbee...

Lees verder
1952
2021-08-04
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Zuil

s., pylder.

1950
2021-08-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Zuil

v. (-en), 1. elk rechtopstaand lichaam van aanmerkelijk groter lengte dan breedte; (meetk.) prisma; (bouwk.) elk rechtopstaand draaglichaam, doch voornamelijk een vrijstaand, meestal sierlijk gevormd rolrond (vaak enigszins toelopend) of vierkant lichaam (pijler) van hout of steen, op zichzelf of met anderen te zamen bestemd om iets te dragen, kolo...

Lees verder
1933
2021-08-04
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Zuil

loodrecht en vrijstaande, meestal ronde pijler v. hout, steen, marmer, enz., v. verschill. vorm; de schacht rust o je voet en draagt een kapiteel.

1933
2021-08-04
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Zuil

Bouwdeel, ongeveer in den vorm van een verticaal geplaatsten, gestrekten cylinder. Gewoonlijk bestemd om een daarop geplaatsten last (balk of architraaf, boog) te dragen. De z. is het grondelement van de Grieksche en Romeinsche architectuur (→ Griekenland en → Romeinsche Rijk, sub Bouwk.). De z. wordt aan het ondereinde gewoonlijk ingelei...

Lees verder
1898
2021-08-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ZUIL

ZUIL, v. (-en), elk rechtopstaand lichaam van aanmerkelijk grooter lengte dan breedte; in eene meer bep. bet. in de meetk. prisma, en in de bouwkunde, elk rechtopstaand hout dat iets draagt, doch voornamelijK een sierlijk loodrecht en vrijstaande, meestal ronde pijler van hout of steen, hoedanige verscheidene te zamen bestemd zijn om iets te dragen...

Lees verder
1870
2021-08-04
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Zuil

en Zuilenorden, zie onder Bouwkunst.