Zootje
o. (-s), eig. verkleinw. van Zo (I), maar meestal niet meer als zodanig gevoeld. 1. hoeveelheid gevangen vis (voor een maaltijd): dat is een aardig zootje; — (haringv.) drie kantjes haring die de bemanning ten geschenke krijgt; 2. (plat) onbepaalde, maar vrij grote hoeveelheid: een zootje appels, ongeveer een kwartmud; ...