Wat is de betekenis van zoom?

2019
2021-03-05
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

zoom

zoom - Zelfstandignaamwoord 1. buitenrand 2. tegen uitrafeling beschermende omslag van het uiteinde van een kledingstuk Ik moet er nog even een zoom in zetten. zoom - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zomen ♢ Ik zoom...

Lees verder
2018
2021-03-05
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

zoom

zoom - zelfstandig naamwoord 1. omgeslagen en vastgenaaide rand onderaan een kledingstuk ♢ de zoom van je jurk hangt eruit! 1. de zoom van het bos [de rand ervan] Zelfstandig naamwoord: zoom ...

Lees verder
2017
2021-03-05
Emanuel Damsteeg

Videofilmen; termen en begrippen (1992)

Zoom

Zonder de camera te bewegen het beeld naar je toe halen of wegduwen, zie Zoomobjectief.

2017
2021-03-05
B.D. Poppen

Schrijver op Ensie

Zoom

Scherpe, vrij rechte afscheiding van donkere wolk en een lichter, soms fel wit gedeelte daaronder. Bij het passeren zal de wind flink toenemen en ruimen.

2002
2021-03-05
Lexicon voor de kunstvakken

Verklaringen van woorden die gebruikt worden in teksten over kunst.

zoom

Een zoom: 1) (beeldend): zie zomen en zoomband; 2) (film): lijkt op een camerabeweging maar is het niet omdat m.b.v de lens van de film-camera het onderwerp dichterbij komt (inzoom) of verder weg gaat (uitzoom).

1973
2021-03-05
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

zoom

m. (zomen), 1. omgeslagen en vastgenaaide rand aan een stuk weefsel of kledingstuk: er zit een brede — in; 2. kant, boord, buitenrand: de — van het bos; (heraldiek) (ook: schildzoom), band langs de schildrand (breedte ca. eenzesde van de schildbreedte) (e); (banistiek) band (breed of smal) langs drie of vier (militaire vaandels) zijden...

Lees verder
1950
2021-03-05
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Zoom

m. (zomen), 1. omgeslagen en vastgenaaide rand aan een stuk -weefsel of een kledingstuk : de zoom van een zakdoek ; er zit een brede zoom in ; een zoom vouwen, leggen, lostornen; — ook wel een toegenaaide plooi; (Zuidn.) een zoom aan iets leggen, een eind er aan maken ; 2. kant, boord, buitenrand: de zo...

Lees verder
1933
2021-03-05
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Zoom

de hooge rand, waarmee de Diluviale zandgronden van N. Brabant in het W. afbreken; ten W. er van beginnen onmiddellijk de Alluviale polders, schorren en slikken van Eendracht, Ooster- en Wester-Schelde. De Z. strekt zich in bochtigen loop uit vanaf den Dassenberg ten N.O. van Halsteren tot in België. Men neemt aan, dat de Z. de Oostelijke oeve...

Lees verder
1898
2021-03-05
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ZOOM

ZOOM, m. (-en), omgeslagen en vastgenaaide rand aan kleedingstukken: de zoom van een rok; zoomen aan een zakdoek; een zoom vouwen, leggen, lostornen; — rand, zelfkant: de zoom van het laken; — (fig.) kant, boord, buitenrand: de zoom van het bosch, van den akker; de zoom van het oor; de zoom der baarmoeder; de zoom van den krater; &mda...

Lees verder
1898
2021-03-05
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Zoom

zie Boord.