Wat is de betekenis van zondag?

2026-01-17
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Zondag

m. (-en), 1. eerste dag van de week, dag des Heren, waarop men niet werkt: de Zondag vieren, in ere houden; des Zondags, op Zondag ; het jagen op Zonen jeestdagen is volstrekt verboden; hij is op een Zondag geboren, hij is een gelukskind; 2. (bij uitbr.) feestdag die als de Zondag gevierd en waarop niet gewerkt wordt:...

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Studenten van onderstaande onderwijsinstellingen hebben gratis toegang

Universiteit Leiden University of Amsterdam Universiteit Utrecht
2026-01-17
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek (2009-heden)

zondag

zevende dag van de week. Voorbeelden: Laten wij daarom de Tien Geboden eens in vogelvlucht de revue laten passeren. De eerste drie gaan over het eren van God, zijn heilige naam en zijn heilige dag, de zondag. Daar zie ik eerlijk gezegd niet veel toekomst meer voor. God is dood en vloeken is in. Dat hoor je de hele dag. En de zondag wo...