Wat is de betekenis van Zo?

2020
2021-10-25
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

zo

zondag. zondag. Voorbeelden: De openingstijden zijn: van zo. t/m do. van 9.00-16.00 uur, vr. en za. van 9.00-18.00 uur. https://books.google.nl/books?id=7WCDAgAAQBAJ&pg=PA156&lpg=PA156&dq=%22van+zo.+t/m%22&source=bl&ots=onDs44o9I2&sig=iPIQanab18FZeOGM-dhVzLL3K2s&hl=nl&sa=X&ei=xiYIVbnpMIS-PO3Hgbg...

Lees verder
2019
2021-10-25
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

ZO

ZO - Afkorting 1. zuidoost

Lees verder
2018
2021-10-25
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

zo

zo - afkorting, bijwoord, voegwoord 1. zondag ♢ op za en zo zijn wij gesloten 1. zuidoost ♢ die plaats ligt in Z.O. Frankrijk 1. op deze manier ...

Lees verder
1998
2021-10-25
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Zo

zie ook zo wit, witter kan het niet: 1 eufemistische uitdr. voor ‘homofiel’. ‘Zo’zijn (1984) is de titel van de autobiografie van Albert Mol. Volgens het tijdschrift Opzij (oktober 1989) vnl. gebruikelijk in coc-kringen jaren vijftig. Vgl. van de verkeerde kant/richting. Over homo’s doen zoveel clichés de ronde, zegt hij. Mensen vinden homofilie bi...

Lees verder
1973
2021-10-25
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

zo

I. bw., 1. op gelijke, of dezelfde wijze: het zij -, aldus geschiedde het, amen; — waar ik leef; het heeft moeten zijn, het was voorbestemd; iets, iets als dat; wat zeg je van iets, iets zo wonderlijks of ergs; — een, meestal verkort tot zo'n, zulk een; in het algemeen: op — 'n mooie dag; maak niet — 'n spekta...

Lees verder
1952
2021-10-25
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Zo

1. adv., sa. 2. conj., as; — ja, sa al.

Lees verder
1950
2021-10-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Zo

I.ZOOI, v. (zooien), 1. (gew.) het zieden : het water is aan de zo, aan de kook ; 2. oprisping, het zuur; 3.hoeveelheid (spijs) die tegelijk gekookt wordt of voor één maaltijd genoegzaam is : een zo vis; een zo sla; 4.(volkst., alleen in de vorm zooi) menigte, grote hoeveelheid : een zooi kinderen; een hele...

Lees verder