Wat is de betekenis van Zo?

2024-02-29
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek (2009-heden)

zo

zondag. zondag. Voorbeelden: De openingstijden zijn: van zo. t/m do. van 9.00-16.00 uur, vr. en za. van 9.00-18.00 uur. https://books.google.nl/books?id=7WCDAgAAQBAJ&pg=PA156&lpg=PA156&dq=%22van+zo.+t/m%22&source=bl&ots=onDs44o9I2&sig=iPIQanab18FZeOGM-dhVzLL3K2s&hl=nl&sa=X&ei=xiYIVbnpMIS-PO3Hgbg...

2024-02-29
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

ZO

ZO - Afkorting 1. zuidoost

2024-02-29
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

zo

zo - afkorting, bijwoord, voegwoord 1. zondag ♢ op za en zo zijn wij gesloten 1. zuidoost ♢ die plaats ligt in Z.O. Frankrijk 1. op deze manier ...

2024-02-29
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc de Coster (1998)

Zo

zie ook zo wit, witter kan het niet: 1 eufemistische uitdr. voor ‘homofiel’. ‘Zo’zijn (1984) is de titel van de autobiografie van Albert Mol. Volgens het tijdschrift Opzij (oktober 1989) vnl. gebruikelijk in coc-kringen jaren vijftig. Vgl. van de verkeerde kant/richting. Over homo’s doen zoveel clichés de ronde, zegt hij. Mensen vinden homofilie bi...

Wil je toegang tot alle 11 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-29
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

zo

I. Als bijw. In de verb. zo een, meestal verkort tot zo’n, gevolgd door een znw. in ’t mv. of door een stofnaam: zulk(e). Nog zeer frequent in de spreekt. Van waar zo’n dieren worden opgejaagd weet de duivel, TEIRLINCK 1952, 1, 144. Het is merkwaardig dat men reeds tot zo’n goede resultaten kon komen, Taal...

2024-02-29
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

zo

1. (aanwijzend voornaamwoord) dat, zulks. Ik weet niet, zei Irma, maar zo gebeurt vaak (Schungel 101). Maar in mijn jeugd vertel ik zo, wat later betreft weet ik niet (Doelwijt 1971: 60). Vanwaar hebt u dat vandaan? een kommentaar. Dominee zei zo. Na' de hel met dominee! (Cairo 1976: 164). 2. (tw.) let wel, moet je weten. Er werd echt hard gew...

2024-02-29
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Zo

1. adv., sa. 2. conj., as; — ja, sa al.

2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Zo

I.ZOOI, v. (zooien), 1. (gew.) het zieden : het water is aan de zo, aan de kook ; 2. oprisping, het zuur; 3.hoeveelheid (spijs) die tegelijk gekookt wordt of voor één maaltijd genoegzaam is : een zo vis; een zo sla; 4.(volkst., alleen in de vorm zooi) menigte, grote hoeveelheid : een zooi kinderen; een hele...

2024-02-29
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

zo

1. bw., soms min of meer als bn. gebruikt, met deze bet. o. a.: zodanig; op die manier; in die mate; even: doe het zo, op die wijze; ik kom zo, terstond; zo groot; zo groot als mijn zuster; zo een, zo eentje, zo mag dat; zo iets is ongepermitteerd; ‘t zij goed zo; zo niet! hij was niet zo goed, of hij moest mee dansen; zo zeer was hij uit het...

2024-02-29
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

zo

(zo:) I. v. (zooien; zootje) [< zieden,] 1. Eig. wat gekookt wordt of is, kooksel: een vis, sla. 2. Metf. Ong. menigte: een hele zooi boeken, mensen; rotzooi; het is me daar een zootje; een rommel of een slordig gezin. II. I. bw. 1. op deze, die wijze: pak dat aan; goed -; ’t zij -; is het leven; is hij nu eenmaal; ik zei het maar, zo...

2024-02-29
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

zo

I. bw., 1. op gelijke, of dezelfde wijze: het zij -, aldus geschiedde het, amen; — waar ik leef; het heeft moeten zijn, het was voorbestemd; iets, iets als dat; wat zeg je van iets, iets zo wonderlijks of ergs; — een, meestal verkort tot zo'n, zulk een; in het algemeen: op — 'n mooie dag; maak niet — 'n spekta...