Wat is de betekenis van zinnen?

2019
2022-12-01
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

zinnen

zinnen - Werkwoord 1. (inerg) de gedachten ergens over laten gaan Hij zon op wraak. 2. (onpr) in de smaak vallen Dat zinde hem helemaal niet. zinnen - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zin

Lees verder
2018
2022-12-01
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

zinnen

zinnen - regelmatig werkwoord uitspraak: zin-nen 1. in de smaak vallen, gewaardeerd worden ♢ het zint me niet dat jij altijd te laat bent 2. in gedachten ergens naar streven ♢ Max zint op wraak...

Lees verder
1997
2022-12-01
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

zinnen

In de historische eedformule bij Gods zinnen worden God en zijn zintuigen tot getuigen aangeroepen dat men de waarheid spreekt. Het ijdel gebruik van die eedformule maakt haar tot vloek, die, om anderen niet te kwetsen, verbasterd en dus afgezwakt kon worden. In de Middeleeuwen noteerde ik op mijn vijf zinnen. De formule...

Lees verder
1952
2022-12-01
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Zinnen

v.; ergens op —, earne op briede.

1950
2022-12-01
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Zinnen

(zon, heeft gezonnen), 1. zijn gedachten en streven richten (op), peinzen over: op wraak zinnen; 2.(spr.) men kan zijn kinders wél minnen, maar niet zinnen, niet hun zin vormen.

Lees verder
1937
2022-12-01
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

zinnen

zon, h. gezonnen (peinzen, denken): hij zat op wraak te zinnen; verg. bezinnen.

1933
2022-12-01
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Zinnen

1° de lagere, stoffelijke of organische (→ Zintuigen) kenvermogens (→ Kennen; Vermogen), waardoor het levend wezen zich bewust wordt van de buitenwereld (→ Kenbronnen) en de indrukken daarvan (→ Kenbeeld) in zich kan opnemen en verwerken. Het Aristotelisme onderscheidt vijf uitwendige z. (gezicht, gehoor, reuk, smaak, gevoel...

Lees verder
1930
2022-12-01
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

zinnen

('zinnən) (zon, heeft gezonnen) 1. W.g. met inspanning denken, peinzen: ik zal er eens over -; op wraak -. Syn. → bedenken. 2. iemands zin vormen: men kan zijn kinders wel minnen, maar met -.

Lees verder
1898
2022-12-01
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ZINNEN

ZINNEN, (zon, heeft gezonnen), peinzen, overdenken : op wraak zinnen; — (spr.) men kan zijne kinders wel minnen, maar niet zinnen, hun zin vormen. *

Lees verder
1898
2022-12-01
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Zinnen

zie Denken.

1864
2022-12-01
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Zinnen

Zinnen, ow. ong. (ik zon, heb gezonnen), peinzen, overdenken.