Wat is de betekenis van Zin?

2020
2020-11-26
Redactie Ensie

Schrijver op Ensie

Zin

Een zin is een verzameling woorden die achter elkaar een logisch geheel vormen. Een volledige zin bevat altijd enkele standaard onderdelen zoals een persoonsvorm en een onderwerp. Het gaat in een zin om een actie die wordt verwoord door het werkwoord en uitgevoerd door het onderwerp. Naast de vaste onderdelen kan een zin uit nog meer delen bestaan...

Lees verder
2019
2020-11-26
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

zin

zin - Zelfstandignaamwoord 1. (taalkunde) een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen De meeste zinnen bevatten een gezegde en een onderwerp, vaak aangevuld met voorwerpen en bepalingen. 2. een verlangen om iets te doen Ik...

Lees verder
2018
2020-11-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

zin

zin - zelfstandig naamwoord 1. wat bedoeld wordt ♢ dit woord is in figuurlijke zin gebruikt 1. in die zin [in dat opzicht] 2. in zekere zin [in...

Lees verder
1973
2020-11-26
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

zin

m. (-nen), 1. elk van de op een bepaalde soort van indrukken reagerende vermogens om waar te nemen bij mens en dier; zintuig; 2. (mv.) de redelijke vermogens: men moet altijd zijn zinnen bij elkaar houden, met verstand en overleg te werk gaan; van zijn zinnen beroofd zijn, bewusteloos zijn, (ook) gek zijn; bij zijn — komen, het bewustzijn te...

Lees verder
1933
2020-11-26
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Zin

Voor zin in de beteekenis van kenvermogen, zie ➝ Algemeene zin; Zinnen.

1898
2020-11-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ZIN

ZIN, m. (-nen). het vermogen om gewaar te worden en waar te nemen : de mensch heeft vijf zinnen, het gezicht, het gevoel, het gehoor, de reuk en den smaak; — bij alles moet men zijne zinnen bij elkander houden, met verstand en overleg te werk gaan; — van zijne zinnen beroofd zijn, bewusteloos zijn, (ook) gek zijn; — bij zijne zi...

Lees verder
1898
2020-11-26
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Zin

zie Beteekenis.