Wat is de betekenis van Zin?

2025-12-07
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Zin

m. (-nen), 1. elk der op een bep. soort van indrukken reagerende vermogens om gewaar te worden en waar te nemen bij mens en dier, zintuig : de zinnen kunnen bedriegen ; de mens heeft vijf zinnen, het gezicht, het gevoel, het. gehoor, de reuk en de smaak (de wetenschap onderscheidt nog andere zinnen, zoals temperatuur- en eve...

2025-12-07
Ensie Encyclopedie

Redactie Ensie (2022)

Zin

Een zin is een verzameling woorden die achter elkaar een logisch geheel vormen. Een volledige zin bevat altijd enkele standaard onderdelen zoals een persoonsvorm en een onderwerp. Het gaat in een zin om een actie die wordt verwoord door het werkwoord en uitgevoerd door het onderwerp. Naast de vaste onderdelen kan een zin uit nog meer delen bestaan....

2025-12-07
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

zin

zin - Zelfstandignaamwoord 1. (taalkunde) een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen De meeste zinnen bevatten een gezegde en een onderwerp, vaak aangevuld met voorwerpen en bepalingen. 2. een verlangen om iets te doen Ik...

2025-12-07
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

zin

zin - zelfstandig naamwoord 1. wat bedoeld wordt ♢ dit woord is in figuurlijke zin gebruikt 1. in die zin [in dat opzicht] 2. in zekere zin [in...

2025-12-07
Brabants Handwoordenboek

Prof. dr. Jos Swanenberg (2015)

zin

(zn) humeur EK.

2025-12-07
Kuifje in Vlaanderen

Michel Uyen

zin

zin voor humor: gevoel voor humor

2025-12-07
Nederlands Logopedisch Lexicon

L.J.M. Bogaert (2007)

Zin

(m.), reeks van (één of meer) woorden in een syntactisch verband, die als zelfstandige taaluiting kunnen worden gebruikt en op basis van hun betekenis, ordening en intonatie een geheel vormen; analytische ~, zin die waar is op grond van louter taalkundige overwegingen; anomale ~, een zin die grammaticaal correct is maar in strijd met...

2025-12-07
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

zin

In de verb. van zin zijn, van plan zijn, voornemens zijn; in de standaardt. ook, hoewel thans w.g.: van zins zijn. - Zie ook zinnens. Ik voelde hoe steeds eene verkropte kwelling de borst van dien ruwen man verteerde, en ik was van zin om hem een deel van die dwaze folteringen uit het hoofd te praten, TEIRLINCK-V.D.W. 1928, 28.

2025-12-07
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Zin

1. s., sin (it); (lust), sin (it), sinnichheit; — hebben in, sin hawwe oan, smucht hawwe op, it bigrepen hawwe op, flam hawwe op, bistek hawwe op; veelhebben in, opsnjit, fn(j)it hawwe mei, opset hawwe mei; — hebben in een meisje, in skean each op in faem smite; hij heeft er geen...

2025-12-07
Bijbelse encyclopedie

Prof. dr. F.W. Grosheide (1950)

ZIN

het hoogland der Azazime Bedoeïenen, het NO.-lijk deel van de woestijn Paran, genoemd naar een plaats Zin, Num. 34 : 3. Van hier gingen de verspieders naar het H. Land, Num. 13 : 21; hier stierf Mirjam te Kades in de 1e maand van het 40e jaar der omzwerving, Num. 20 : 1; hier is de Z.grens des lands.

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2025-12-07
Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

ZIN

(spraakkunst) is een taaluiting die uit één of meer woorden bestaat, waardoor men zijn waarnemingen, gedachten, gevoelens en wensen verstaanbaar maakt. De inhoud en de omvang van een zin hangen van de omstandigheden waaronder deze gebruikt wordt, en van de bedoeling van de taalgebruiker af. Vergelijk: De zon gaat schuil achter de w...